Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
primair: de Paspoortwet en de Nieuwe Paspoortwet met onmiddellijke ingang buiten werking stelt, althans partieel buiten werking stelt voor wat betreft de gewijzigde Paspoortwetgeving althans (al dan niet partieel) jegens de belanghebbende buiten werking stelt, althans de inwerkingtreding daarvan alsmede van de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd opschort althans deze algemene maatregelen van bestuur buiten werking stelt;
primair: de Paspoortwet 1991 alsmede de Nieuwe Paspoortwet buiten werking stelt, althans partieel buiten werking stelt wat betreft artikelen 3 lid 8 en 65 van de paspoortwet 1991 en artikel I onderdelen D en E van de Nieuwe Paspoortwet, alsmede artikel 28a lid 1 en 3 van de gewijzigde Paspoortuitvoeringsregeling Nederland en artikel 42a lid 1 en 3 van de gewijzigde Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001, althans (al dan niet partieel) jegens de belanghebbenden buiten werking stelt, althans de inwerkingtreding daarvan alsmede van de daarop gebaseerde Algemene Maatregelen van (Rijks)bestuur (al dan niet partieel) met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd opschort, althans de op de Paspoortwet 1991 en de Nieuwe Paspoortwet gebaseerde Algemene Maatregelen van Bestuur - te weten de Paspoortuitvoeringsregelingen - buiten werking stelt;
3.Uitgangspunten in cassatie
afwijzingvan de vorderingen van Privacy First c.s. Sterker nog, het Hof geeft expliciet aan dat het bij toekomstige regelgeving aankomt op meer dan geïsoleerde beoordeling van één bepaling (rov. 2.3 in fine). Bovendien heeft het Hof zijn oordeel geheel gegrond op de omstandigheid dat, in zijn opvatting, inmiddels bij de Staat zelf het inzicht was gerijpt dat – kort gezegd – de op stapel staande, maar in zoverre nooit tot wet verheven, regeling er niet mee door kon. Het Hof heeft zich dus, anders dan de Staat lijkt te denken, onthouden van het geven van een eigen oordeel. [11]
inhoudelijkebelang van de Staat bij dit cassatieberoep (te weten: bestrijding van een door het Hof beweerdelijk gevelde oordeel) is niet groot, zo al aanwezig. Toch is het een interessante zaak omdat in het middel, en vooral in
onderdeel 2.4, een klacht besloten ligt die aanhaakt bij waar het werkelijk om gaat: de verhouding rechter/wetgever in de specifieke context van zaken als de onderhavige. Dat is, zeker in de huidige tijd, een belangrijk en ook gevoelig thema. Vooral daarop zal ik me hierna richten.
4.De trias politica
rechtstreeksebetekenis. Maar het is m.i. wel van belang omdat het de spanning tussen de ruimte die de rechter de nationale wetgever wil of moet laten tegen – kort gezegd – van buiten komende invloeden illustreert. [20]
wetgevingterughoudend toetst aan een ieder verbindende verdragsbepalingen” (cursivering toegevoegd). [21]
onnodigvoor de voeten te lopen. Alleen als dat werkelijk onvermijdelijk is, is er m.i. een taak voor de rechter weggelegd om het terrein van wetgeving (in formele zin) te betreden. Die noodzaak ontbreekt wanneer (inmiddels is komen vast te staan dat) het voor de procedure relevante deel van een wetsontwerp dat de inzet was van een procedure niet tot wet zal worden verheven en/of dat de eisende partij anderszins geen materieel belang (meer) heeft bij haar vordering, zoals het Hof in cassatie niet bestreden heeft geoordeeld; zie hiervoor onder 3.3.
ontwerpis gelegen in art. 81 van Pro de Grondwet. In het al genoemde Waterpakt-arrest [23] heeft Uw Raad het in rov. 3.5 zo verwoord dat:
wetten. Zo ver is het thans met betrekking tot de door Privacy First c.s. gelaakte bepalingen evenwel niet gekomen; de gewraakte bepalingen hebben het niet tot wet gebracht. Op het belang daarvan wordt, in ander verband, ook gewezen in het Waterpakt-arrest. [25]
beginnenin de loop van het wetgevende proces. Maar de inzet daarvan mag geen andere zijn dan in het uiterste geval te verhinderen dat een bepaalde wettelijke regeling
van kracht wordten niet om parlementaire deliberaties daarover in de kiem te smoren of zelfs maar te beïnvloeden.
niettot stand zal komen, op de enkele grond dat in de toekomst wellicht totstandkoming van nieuwe en vergelijkbare wetgeving zal worden beproefd. Die terughoudendheid wortelt in het algemeen reeds hierin dat het eindresultaat van deze nieuwe pogingen geenszins op voorhand vaststaat, terwijl uit staatsrechtelijk oogpunt onverstandig, zoal niet bedenkelijk, is dat de rechter parlementaire discussies op voorhand onmogelijk maakt.
vast staatdat onrechtmatig is gehandeld of dat zodanig handelen dreigt, maar zeker niet in de setting van de onderhavige zaak. Immers heeft het Hof, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat van een dreiging van onrechtmatig handelen
geensprake is (rov. 2.5). Dan is er geen noodzaak om oordelen te gaan vellen die in de nimmer geheel voorspelbare toekomst, waarin de bijzonderheden van de concrete situatie tot heel andere uitkomsten of afwegingen zouden kunnen leiden, onnodige problemen voor de wetgever zouden kunnen gaan opleveren. De rechter moet niet voor zijn beurt willen oordelen en evenmin een oordeel (willen) vellen over politieke discussies in wetgevingsland die zijn afgesloten zonder dat degene die daartegen te hoop is gelopen daardoor is geschaad.
onderdeel 1.1belang.
onderdeel 3nog te behandelen. Het loopt te hoop tegen ’s Hofs oordeel in rov. 3.5 dat in het midden kan blijven of [verweerders] terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat het voor de proceskostenveroordeling niet uitmaakt of zij wel of niet ontvankelijk zijn. In ’s Hofs visie maakt de proceskostenveroordeling, voor zover deze mede is uitgesproken ten gunste van [verweerders], niet uit nu “hoogstens [sprake is van] één proceskostenveroordeling ten laste van de Staat”.
ten gunstevan [verweerders] Nu het Hof in het midden heeft gelaten of zij – kort gezegd – een toewijsbare vordering tegen de Staat hebben ingesteld, is voor die veroordeling geen grond.
onderdeel 3.2hoe dan ook verwijzing moeten plaatsvinden, wat om de hierna te noemen reden m.i. zonde van alle tijd en geld zou zijn. Als toch zou moeten worden uitgezocht of [verweerders] in het (on)gelijk hadden moeten worden gesteld, is doelmatig om dat ook te doen in het kader van de klacht van
onderdeel 3.1. De kans dat dit de Staat een proceskostenveroordeling van enige betekenis zal opleveren, lijkt me louter theoretisch omdat in dat kader
uitsluitendnog de in genoemde voetnoot 20 genoemde verweren in de beschouwingen zullen mogen worden betrokken. Maar dat schrikt de Staat kennelijk niet af.
onderdeel 4, dat een voortbouwende klacht postuleert, vrucht draagt.
onderdeel 2.4verdedigde opvatting zich verhoudt tot de vaste rechtspraak met betrekking tot – kort gezegd – het proceskostenbelang. [45] Het antwoord is eenvoudig. Als juist zou zijn dat de rechter zich (in beginsel) van een oordeel over de rechtmatigheid van wetgeving tijdens het wetgevingsproces dient te onthouden en dat procedures daarover voor risico van de aanlegger worden geëntameerd wanneer dit wetgevingsproces niet uitmondt in de regeling die hij beoogt te verijdelen, komen we aan deze leer niet toe. In casu heeft het “risico” zich verwezenlijkt zodat de aanleggers (Privacy First c.s.) in de kosten moeten worden veroordeeld.
- vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;
- veroordeling van Privacy First c.s. in de kosten van alle instanties.