Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
V-N2015/10.1.5. [1]
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Relevante regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wet-, regelgeving en beleid
nadatde vervreemding van de aandelen heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat verduistering voorafgaande aan de vervreemding er aan in de weg staat dat artikel 40 kan Pro worden toegepast.
V-N1996, blz. 2733, punt 28, relatief groot geweest is. Voorts wordt in het evaluatierapport aangegeven wat er precies mis is met die bepaling. Daaruit blijkt dat met name de bepaling dat de
ontvangeraannemelijk moet maken dat de vervreemder van aandelen wist althans behoorde te weten dat door zijn handelwijze (de vervreemding) alle of nagenoeg alle bezittingen van de belastingschuldige vennootschap zouden worden verduisterd, een kernprobleem vormt. De praktische uitvoerbaarheid van de bepaling komt daardoor op de tocht te staan. Voorts zijn er andere onderdelen van het artikel als moeilijk toepasbaar gekwalificeerd. Zie hoofdstuk IV van het evaluatierapport. De staatssecretaris kiest ter oplossing van de geschetste problemen een in Den Haag vaker beproefde weg, hij roept namelijk een werkgroep in het leven, hoewel het evaluatierapport precies aangeeft welke bepalingen niet goed toepasbaar blijken bij het bestrijden van het misbruik van vervangingsreserve- en andere vennootschappen. Met betrekking tot de termijn waarbinnen de werkgroep gerapporteerd moet hebben is niets vermeld.
5.Beschouwing en beoordeling van het middel
Het eerste middel
kanvolgen
.