Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
V-N2014/20.1.4.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Relevante regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wet-, regelgeving en beleid
V-N1996, blz. 2733, punt 28, relatief groot geweest is. Voorts wordt in het evaluatierapport aangegeven wat er precies mis is met die bepaling. Daaruit blijkt dat met name de bepaling dat de ontvanger aannemelijk moet maken dat de vervreemder van aandelen wist althans behoorde te weten dat door zijn handelwijze (de vervreemding) alle of nagenoeg alle bezittingen van de belastingschuldige vennootschap zouden worden verduisterd, een kernprobleem vormt. De praktische uitvoerbaarheid van de bepaling komt daardoor op de tocht te staan. Voorts zijn er andere onderdelen van het artikel als moeilijk toepasbaar gekwalificeerd. Zie hoofdstuk IV van het evaluatierapport. De staatssecretaris kiest ter oplossing van de geschetste problemen een in Den Haag vaker beproefde weg, hij roept namelijk een werkgroep in het leven, hoewel het evaluatierapport precies aangeeft welke bepalingen niet goed toepasbaar blijken bij het bestrijden van het misbruik van vervangingsreserve- en andere vennootschappen. Met betrekking tot de termijn waarbinnen de werkgroep gerapporteerd moet hebben is niets vermeld.
allemisbruik en oneigenlijk gebruik van vervangingsreserve- en herinvesteringsreservevennootschappen op het oog heeft gehad, en dat geen sprake is geweest van een beperking tot natuurlijke personen. Het zou in dat geval ook wel héél makkelijk worden om de fiscus van het lijf te houden. Men zou dan immers de aandelen in een vennootschap met bedoelde reserves altijd in handen van rechtspersonen laten of die daarin tijdig parkeren. Vermeldenswaard is voorts dat art. 40 ook Pro bij de evaluatie IW 1990 is besproken, en dat in het evaluatierapport evenmin is gesproken over het feit dat art. 40 ten Pro aanzien van rechtspersonen niet langer van toepassing zou moeten zijn.
niet alleen betrekking heeft op natuurlijk personen die aandelen of een belang vervreemden, maar ook op lichamen in de zin van de AWR’ (bedoeld is artikel 2, lid 1, onder b, AWR). De rechtbank overweegt verder dat vaststaat dat tot 1 januari 2001 naast houders van een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 1964 ook lichamen die een deelneming bezaten aansprakelijk konden worden gesteld, terwijl in de wettekst tot 1 januari 2001 nog werd verwezen naar een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 1964. Met de wijziging per 1 januari 2001 heeft de wetgever bedoeld om het toepassingsbereik van artikel 40 IW Pro 1990 uit te breiden. Uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat de wetgever in afwijking van voor 1 januari 2001 de werking van artikel 40 IW Pro 1990 heeft willen beperken tot natuurlijke personen die een belangrijke zeggenschap hadden in de vennootschap.
Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap (...)’ redelijkerwijs alleen betrekking hebben op natuurlijke personen en wordt nergens de kring van aansprakelijk te stellen subjecten verruimd tot rechtspersonen en/of lichamen in de zin van de AWR. De parlementaire toelichting biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat ook rechtspersonen op grond van artikel 40 IW Pro 1990 aansprakelijk kunnen worden gesteld. Het door de Staatssecretaris van Financiën in de Leidraad Invordering 2008 ingenomen standpunt heeft geen wettelijke grondslag. Derhalve oordeelt het hof dat artikel 40 IW Pro 1990 niet geldt voor rechtspersonen.