Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is het oproepingsexploot op 22 juli 2014 aan HSK betekend en daarmee (ruim) vóórdat het verzoekschrift tot faillietverklaring op 20 augustus 2014 daadwerkelijk bij de rechtbank is ingediend. Dit is in strijd met artikel 1.1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken waarin is bepaald dat de oproeping door de verzoeker plaatsvindt nadat de rechtbank de verzoeker heeft meegedeeld tegen welke datum, welk tijdstip en op welke wijze de verweerder moet worden opgeroepen. Het hof had dus niet mogen oordelen dat moet worden aangenomen dat de mededeling bedoeld in de tweede variant van artikel 1.1.4.3 van het Procesreglement is gedaan.
onderdeel 3in de eerste plaats dat in een geval als het onderhavige – waarin vaststaat, althans is gesteld dat de schuldenaar voor de behandeling van de faillissementsaanvraag in eerste aanleg niet behoorlijk is opgeroepen – het hof heeft miskend dat de vraag of het vorderingsrecht van de aanvrager (nog) wel bestaat, moet worden beoordeeld naar het moment van de uitspraak op het verzet dat door de schuldenaar is ingesteld tegen het verstekvonnis waarbij hij failliet is verklaard (in dit geval 11 september 2014). Als het hof dat niet heeft miskend, valt volgens de tweede klacht van het onderdeel zonder nadere of andere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof – gegeven althans gesteld de niet-behoorlijke oproeping en gegeven de betaling door HSK van de vordering van aanvrager [verweerster] op 8 september 2014 – het vonnis van de rechtbank van 11 september 2014 heeft bekrachtigd, in plaats van het verzet gegrond te verklaren, het faillissement te vernietigen en [verweerster] in haar faillissementsverzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans dat verzoek af te wijzen.