ECLI:NL:PHR:2015:1500

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2015
Publicatiedatum
20 augustus 2015
Zaaknummer
14/03445
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 423 SvArt. 359 SvArt. 592a SvArt. 6:96 BWArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen doodslag en herbeoordeling strafoplegging

De zaak betreft een doodslag gepleegd op 13 januari 2008 te Utrecht, waarbij verdachte en een medeverdachte het slachtoffer met vuurwapens hebben aangevallen en het slachtoffer uiteindelijk met twee opgezette schoten op korte afstand hebben gedood. Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte tot veertien jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag en legde daarnaast een schadevergoedingsmaatregel op.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, omdat het hof ten onrechte de straf voor verschillende feiten afzonderlijk heeft bepaald in plaats van één straf voor alle feiten. De bewezenverklaring en de kwalificatie van medeplegen worden bevestigd, waarbij het hof terecht heeft geoordeeld dat sprake was van opzet en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte.

De bewijsvoering bestond uit getuigenverklaringen, forensisch onderzoek van het NFI, verklaringen van betrokkenen en afgeluisterde gesprekken. Het hof verwierp het verweer van noodweer en noodweerexces, omdat het slachtoffer werd achtervolgd en met geweld werd overmeesterd door twee gewapende personen.

De Hoge Raad oordeelt dat de straf van veertien jaar passend is gezien de ernst van het delict, de eerdere veroordelingen van verdachte en de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd. De Hoge Raad wijst op de onherstelbare gevolgen voor de nabestaanden en de maatschappelijke impact van het feit. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en adviseert het hof de strafoplegging te herzien tot één straf van achttien jaar gevangenisstraf voor alle feiten samen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen van doodslag en vernietigt het arrest voor wat betreft de strafoplegging, met een gevangenisstraf van veertien jaar en een herbeoordeling tot één straf van achttien jaar.

Conclusie

Nr. 14/03445
Zitting: 9 juni 2015
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft - nadat de uitspraak van het Hof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 31 mei 2012 door de Hoge Raad bij arrest van 10 december 2013 met de betrekking tot uitsluitend de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/711030-08 onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging is vernietigd en verwezen [1] - bij arrest van 6 juni 2014 verzoeker voor 1 meer subsidiair “medeplegen van doodslag” veroordeeld tot veertien jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de met dit feit verband houdende vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen tot een bedrag van € 16.068,77 en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander als nader in het arrest omschreven. Tenslotte heeft het Hof voor de feiten die naar het oordeel van het Hof op grond van art. 423, vierde lid, Sv niet meer aan het oordeel van het Hof waren onderworpen, de straf bepaald op vier jaren.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 14/03445 en 14/03847. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verzoeker heeft mr. H.O. den Otter, advocaat te Utrecht, het cassatieberoep bij akte van 20 november 2014 partieel ingetrokken, te weten voor zover het beroep was gericht tegen de in de zaak met parketnummer 16/711030-08 gegeven vrijspraken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Vervolgens heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. Namens de benadeelde partij is door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.
De middelen voorgesteld door verzoeker
5. Het eerste en het tweede middel van verzoeker richten zich tegen de bewezenverklaring. Het
eerste middelvalt uiteen in een aantal motiveringsklachten en deelklachten. Betwist wordt in de eerste plaats dat uit de bewijsconstructie kan worden afgeleid dat sprake is van opzet. De tweede klacht is dat de bewijsconstructie van het Hof de alternatieve lezing van de verdediging, te weten dat sprake is van een “ongeluk”, niet uitsluit. Een derde klacht is dat de in de schriftuur vermelde redengevende feiten en omstandigheden niet kunnen worden afgeleid uit de bewijsconstructie. Het
tweede middelkomt op tegen het bewezenverklaarde medeplegen. Het
derde middelvan verzoeker klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer(exces). Het
vierde middelkeert zich tegen de opgelegde straf.
6. Ten laste van verzoeker is onder 1 meer subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij op 13 januari 2008 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk meermalen, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.”
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering (hier weergegeven zonder voetnoten):

Bewijsoverzicht
Op 13 januari 2008, omstreeks 20.00 uur, kreeg de politie een melding van een vechtpartij op de Dickenslaan te Utrecht. Ter plaatse trof de politie op de hoek van de Dickenslaan met de Cervanteslaan een gewonde man aan, liggend op de grond. Het slachtoffer werd met een ambulance naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht gebracht, waar hij later die avond overleed. Het slachtoffer is nadien geïdentificeerd als [slachtoffer 1] .
Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is een pathologisch onderzoek uitgevoerd naar de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] . Bij sectie op het lichaam is gebleken van een doorschot door de borstkas met een inschot links op de rug, doorschot door de onderkwab van de long links, door de wervelkolom en door de onderkwab van de long rechts, en met een uitschot rechts zijwaarts onder de oksel. De dood is ingetreden ten gevolge van verbloeding en daardoor opgetreden weefselschade, ontstaan door de genoemde schotverwonding. Het NFI heeft vastgesteld dat sprake is geweest van twee opgezette schoten (schootsafstand van 0 centimeter): één ter hoogte van de buik, door welk schot het slachtoffer mogelijk niet is geraakt, en één ter hoogte van het linker schouderblad. Bij de sectie zijn verder op het hoofd verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen geconstateerd.
De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2008, omstreeks 19.00 uur, in Utrecht bij "Sahara" aan de Vleutenseweg samen met [slachtoffer 1] in een auto is gestapt waar twee mannen in zaten. [slachtoffer 1] stapte in achter de bestuurder en de getuige stapte in achter de bijrijder. De auto reed naar de woning van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] stapte uit, verdween in een portiek, en bleef even weg. [slachtoffer 1] kwam na enige tijd terug en stapte weer achterin.
[slachtoffer 1] ging achter de bijrijder zitten en de getuige achter de bestuurder. De auto reed vervolgens een stukje, ging de bocht om en werd geparkeerd ter hoogte van de Cervanteslaan 26/28. [slachtoffer 1] liet toen een handvol wit spul in een zakje zien. De bestuurder pakte het spul aan en zei: "Laat dit hier en ga de andere halen, dan betaal ik jou alles." [slachtoffer 1] wilde dat niet. Hij wilde eerst geld zien. De bestuurder deed moeilijk en gaf het zakje weer terug aan [slachtoffer 1] . De getuige zag aan het gezicht van de bestuurder dat hij boos was en hoorde dat de bestuurder tegen [slachtoffer 1] zei: "Ik neem het. Ik heb geld genoeg." Toen de bestuurder dat had gezegd, maakte hij zijn gordel los en boog voorover. De bestuurder pakte iets van onder zijn stoel vandaan. [getuige 1] zag dat het een vuurwapen was. [getuige 1] is vervolgens de auto uitgestapt en weggerend.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft (als getuige gehoord in de zaak van verdachte) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 13 januari 2008 in Utrecht een afspraak had met [slachtoffer 1] . De afspraak ging over cocaïne. [medeverdachte] is samen met verdachte naar Utrecht gereden. [medeverdachte] en [slachtoffer 1] hebben elkaar bij theehuis Sahara getroffen. [slachtoffer 1] had iemand bij zich. [slachtoffer 1] ging achter [medeverdachte] in de auto zitten. De andere persoon ging achter verdachte zitten. [slachtoffer 1] zei waar [medeverdachte] heen moest rijden. Ze stopten ergens. [slachtoffer 1] zei dat [medeverdachte] even moest wachten en hij stapte uit. Het duurde een tijd. Daarna stapte [slachtoffer 1] weer in de auto, maar nu ging hij achter de bijrijder zitten en zat [getuige 1] achter [medeverdachte] . [slachtoffer 1] vroeg [medeverdachte] weg te rijden en rechtsaf te slaan. [medeverdachte] parkeerde de auto vervolgens op een parkeerplaats. [slachtoffer 1] haalde het zakje coke tevoorschijn en gaf het aan [medeverdachte] . [medeverdachte] keek ernaar en hij rook eraan. [medeverdachte] zei tegen [slachtoffer 1] dat het geen goede coke was. Ze kregen een discussie. [slachtoffer 1] zei dat het wel goed spul was en hij vroeg [medeverdachte] of hij geld bij zich had. In de auto werd het rumoerig en ontstond chaos. [getuige 1] rende weg. [medeverdachte] is als tweede uit de auto gestapt. Van onder de stoel pakte [medeverdachte] zijn eigen vuurwapen. [slachtoffer 1] pakte de autosleutels uit het contact van de auto. Op een gegeven moment stond [slachtoffer 1] buiten de auto op de stoep. [medeverdachte] heeft [slachtoffer 1] op zijn hoofd geslagen met de kolf van het wapen. [medeverdachte] hoorde een schot. Ze waren met zijn drieën bezig: [medeverdachte] , verdachte en [slachtoffer 1] . Op een gegeven moment, toen [medeverdachte] het schot hoorde, lag [slachtoffer 1] op de grond. [medeverdachte] en verdachte zijn vervolgens weggegaan. Ze zijn naar de getuige [getuige 2] gegaan. Daar heeft [medeverdachte] gecontroleerd hoeveel kogels er in zijn wapen zaten.
De verdachte heeft (als getuige gehoord in de zaak tegen [medeverdachte] ) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met [medeverdachte] is meegereden naar Utrecht. [medeverdachte] en [slachtoffer 1] zouden elkaar treffen in coffeeshop Sahara en verdachte is meegegaan. [medeverdachte] zat op de bestuurdersstoel en verdachte op de bijrijdersstoel. [slachtoffer 1] ging achter [medeverdachte] zitten en [getuige 1] achter verdachte. Ze zijn vervolgens naar het huis van [slachtoffer 1] gereden. [medeverdachte] reed. Toen ze bij het huis van [slachtoffer 1] aankwamen, is [slachtoffer 1] uitgestapt. Hij ging een portiek in en bleef een tijdje weg. Daarna is [slachtoffer 1] weer ingestapt. Toen zat [slachtoffer 1] achter verdachte en [getuige 1] achter [medeverdachte] . Ze zijn een stukje doorgereden en vervolgens de bocht omgegaan. Daarna zijn ze gestopt langs de kant van de weg. [slachtoffer 1] is een gesprek gestart met [medeverdachte] over het spul. Hij haalde een zakje te voorschijn en gaf dat aan [medeverdachte] . [medeverdachte] rook eraan en zei dat het geen goed spul was en dat hij het niet wilde hebben. Er ontstond wrijving. [getuige 1] is uit de auto gestapt en weggerend. Op enig moment zijn [medeverdachte] , verdachte en [slachtoffer 1] uit de auto gestapt. Verdachte had toen een vuurwapen vast. [medeverdachte] liep naar [slachtoffer 1] toe voor de autosleutel. Er ontstond een vechtpartij met slaan en schoppen. Ze zijn met zijn drieën op de hoek van de straat beland. Het vuurwapen dat verdachte vasthield, is afgegaan. [medeverdachte] had op enig moment ook een vuurwapen. Uiteindelijk heeft [medeverdachte] de sleutel te pakken gekregen. [verdachte] en verdachte zijn in de auto gestapt en weggereden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in essentie bevestigd en nader aangevuld. Het proces-verbaal van de als getuige bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is aan het procesdossier van verdachte toegevoegd.
Bij een doorzoeking van de woning in Hoogvliet waar [medeverdachte] destijds verbleef, is op 16 april 2008 een vuurwapen van het merk Pietro Beretta aangetroffen. De getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat dit vuurwapen van haar vriend [medeverdachte] is.
Op 2 april 2008 is in het kader van een onderzoek tegen [A] in een kelderbox van een woning te Rotterdam een vuurwapen van het merk Zastava aangetroffen. Met dit wapen heeft de politie proefschoten uitgevoerd. Hieruit bleek dat er overeenkomsten zijn met twee hulzen die op 13 januari 2008 op de plaats delict te Utrecht zijn aangetroffen. Het NFI heeft geconcludeerd dat de twee hulzen die op 13 januari 2008 zijn aangetroffen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het onder [A] in beslag genomen vuurwapen. [A] heeft verklaard dat hij dit wapen heeft gekocht van ene [betrokkene 1] . De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dit wapen op 13 januari 2008 uit de auto heeft gepakt en dat hij dit wapen later, in het bijzijn van [medeverdachte] , aan [betrokkene 1] heeft overgedragen.
Door het NFI is onderzocht of de bij [slachtoffer 1] geconstateerde hoofdletsels (nader aangeduid met letsels G, H, I en K) veroorzaakt kunnen zijn door het slaan met een van de genoemde vuurwapens. Het NFI heeft geconcludeerd dat letsel G kan zijn opgeleverd door slaan of stoten met een puntig deel van één van beide wapens. De letsels H en I kunnen zijn opgeleverd door slaan of stoten met de uitstekende rand aan de voorzijde van de patroonhouder van het wapen Zastava en het letsel K kan worden toegeschreven aan met kracht slaan of stoten met de onderzijde van de kolf van hetzelfde wapen.
De politie heeft een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [betrokkene 3] , afgeluisterd op 10 juni 2008. [medeverdachte] zegt hierin, voor zover van belang, het volgende:
"Serieus, ik heb niet op die man geschoten broeder, kijk ik ben gegaan... (...) we zijn naar de man toe gegaan, daarna...puntje bij paaltje is die man een spel aan het spelen, snap je? De man wil ons verkloten, we wilden de man "droppen", eindstand: één van de mannen is uitgestapt en weggerend, de Marokkaanse man... (...) eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? (...) We zijn uit de auto gestapt, die man is uit de auto gestapt... en die man is heel groot, broeder.., ik heb die man gewurgd, ik heb hem met de kolf van het pistool geslagen, die man wilde de sleutel niet loslaten."
Overwegingen
De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat de bestuurder van de auto (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) in de auto als eerste een vuurwapen pakte. [medeverdachte] zou dit wapen vervolgens op [getuige 1] en [slachtoffer 1] hebben gericht. Volgens de getuige had [slachtoffer 1] geen wapen bij zich. Bij de rechter-commissaris is de getuige bij deze verklaring gebleven. [medeverdachte] en verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer 1] wel een wapen bij zich had en dat hij als eerste een wapen trok. In zoverre staat de verklaring van de getuige dus lijnrecht tegenover die van verdachte en [medeverdachte] . Het hof heeft op zichzelf geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de getuige [getuige 1] .
De verdediging heeft evenwel aangevoerd dat uit het gegeven dat op één van de op de plaats delict gevonden hulzen een DNA-spoor (mengprofiel) van [slachtoffer 1] is aangetroffen, dient te worden afgeleid dat [slachtoffer 1] degene is geweest die het wapen heeft geladen en bij zich heeft gehad. Dit scenario is niet onmogelijk, maar ook niet onomstotelijk juist. Er zijn immers ook andere manieren denkbaar waarop DNA-materiaal van [slachtoffer 1] op één van de hulzen is terechtgekomen. Zo kan bij een opgezet schot als waarvan in de onderhavige zaak sprake was de huls eenvoudig in contact komen met kleding en/of lichaamsmateriaal van het slachtoffer.
Het hof kan niet vaststellen welke lezing de juiste is. Dit wordt niet anders door de door de verdediging aangehaalde passage uit het opgenomen gesprek tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [betrokkene 3] , afgeluisterd op 10 juni 2008, te weten:
"de Marokkaanse man... groot... hij heeft het schietding in zijn andere hand genomen, hij hield het schietding vast.., zus en zo, eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? Want hij had het schietding genomen, ik had zoiets van misschien pakt hij wel het schietding en gaat hij op de "bro" schieten."
Naar het oordeel van het hof is deze passage voor verschillende uitleg vatbaar. Uit deze passage zou namelijk kunnen worden afgeleid dat [slachtoffer 1] zelf een wapen bij zich had, maar ook dat [slachtoffer 1] het wapen van [medeverdachte] of verdachte probeerde af te pakken.
Nu het hof niet kan vaststellen welke van de twee scenario's het juiste is, wordt in het midden gelaten of [slachtoffer 1] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond.
Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:
- Op enig moment waren [medeverdachte] , verdachte en [slachtoffer 1] uit de auto.
- [medeverdachte] en verdachte hadden op dat moment ieder een vuurwapen vast.
- [slachtoffer 1] is vervolgens weggelopen.
- [medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] gewapend achtervolgd.
- [medeverdachte] is op [slachtoffer 1] gesprongen.
- [medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen.
- [slachtoffer 1] is op de grond terechtgekomen.
- [medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] geschopt, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag.
- Verdachte heeft tweemaal op [slachtoffer 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.
- [slachtoffer 1] is tengevolge van de schotverwonding aan zijn bovenlichaam overleden.
- [slachtoffer 1] is aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar [medeverdachte] de auto had geparkeerd.
Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het uitgesloten dat er sprake is geweest van een ongeluk. De verdachte heeft [slachtoffer 1] door middel van een schot door het bovenlichaam van het leven beroofd. Uit de aard van de gedraging alsmede uit de omstandigheden zoals hiervoor genoemd, leidt het hof af dat de verdachte op dat moment het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] te doden.
Voorts is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat het ging om een door [medeverdachte] geregelde ontmoeting met [slachtoffer 1] over drugs. [medeverdachte] had daarbij een vuurwapen bij zich dat hij op enig moment wilde gebruiken. [medeverdachte] en verdachte hebben beiden bewapend [slachtoffer 1] achtervolgd en ze hebben hem beiden geslagen en geschopt. Op het moment dat verdachte schoot, stond [medeverdachte] erbij en heeft hij niets gedaan om het (tweede) schieten te voorkomen. Nadat [slachtoffer 1] is neergeschoten, zijn verdachte en [medeverdachte] naar de auto gerend. Hieruit leidt het hof af dat verdachte en [medeverdachte] zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt.”
8. De bewijsconstructie van het Hof komt op het volgende neer. Medeverdachte [medeverdachte] en verzoeker halen in Utrecht het latere slachtoffer [slachtoffer 1] en [getuige 1] op in verband met een drugsdeal. [medeverdachte] zit op de bestuurdersstoel, verzoeker ernaast en de beide anderen achterin. Als de auto na een tussenstop bij de woning van [slachtoffer 1] verder rijdt ontstaat er ruzie. [getuige 1] ziet dat [medeverdachte] boos wordt en een vuurwapen van onder zijn stoel vandaan pakt. [getuige 1] stapt de auto uit en rent weg. Volgens ’s Hofs in cassatie niet bestreden overwegingen heeft [getuige 1] ook verklaard dat [medeverdachte] met zijn wapen op [slachtoffer 1] en hem, [getuige 1] , heeft gericht. [2] Dat richten van het vuurwapen op [slachtoffer 1] en [getuige 1] moet dan al zijn gebeurd in de auto, nu [getuige 1] uit de auto is gestapt en is weggerend op het moment dat er wrijving in de auto ontstond. Ik vervolg. [medeverdachte] , verzoeker en [slachtoffer 1] komen uit de auto. Verzoeker heeft dan een vuurwapen vast. [slachtoffer 1] pakt de autosleutels. Er ontstaat een vechtpartij met slaan en schoppen. [medeverdachte] en verzoeker – “we”, zegt [medeverdachte] in het door de politie opgenomen gesprek met zijn vriendin [betrokkene 3] - willen [slachtoffer 1] “droppen”. [medeverdachte] wil (zo zegt hij tegen zijn vriendin) op [slachtoffer 1] schieten. [medeverdachte] springt op [slachtoffer 1] . Hij slaat met de kolf van zijn wapen op het hoofd van [slachtoffer 1] . [medeverdachte] had op dat moment een vuurwapen, aldus de verklaring van verzoeker. Ze belanden met zijn drieën op de hoek van de straat. Dan gaat het vuurwapen van verzoeker af. [medeverdachte] hoort een schot, terwijl [slachtoffer 1] al op de grond ligt. [slachtoffer 1] wordt aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar [medeverdachte] de auto had geparkeerd. Er is, naar het NFI heeft vastgesteld, sprake van twee opgezette schoten (schootsafstand 0 cm), waarvan er een dodelijk blijkt te zijn. Voorts constateert het NFI verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen op het hoofd van [slachtoffer 1] . [medeverdachte] pakt de autosleutels, als [slachtoffer 1] op de grond ligt, en rijdt samen met verzoeker weg.
9. Naar mijn inzicht treft geen van de klachten doel.
10. In de eerste plaats heeft het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd vastgesteld dat verzoeker en [medeverdachte] , beiden voorzien van een vuurwapen, een gevecht zijn aangegaan met [slachtoffer 1] waarbij deze is geslagen en geschopt, op de grond is terechtgekomen en met schootsafstand nul door een schot uit het semi-automatisch vuurwapen van verzoeker, een Crvena Zastava (model 70), in zijn bovenlichaam is geraakt. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat met dit vuurwapen twee opgezette schoten zijn gelost. Dat er tweemaal is geschoten en dat het vuurwapen van verzoeker niet behoefde te worden doorgeladen [3] , vormen, mede in het licht van het overige bewijsmateriaal, zodanige contra-indicaties dat het alternatieve scenario van een ongeluk niet aannemelijk is. Daarin ligt tevens ’s Hofs verwerping van de alternatieve lezing van verzoeker besloten. Het Hof heeft op basis van de door hem genoemde feiten en omstandigheden uitgesloten - en gelet op de aard van de gedraging natuurlijk kunnen uitsluiten - dat een semi-automatisch wapen, dat verzoeker al een tijdje vasthield, “per ongeluk” afgaat in een worsteling, nog daargelaten dat [slachtoffer 1] al op de grond lag toen het eerste schot afging. Voor de volledigheid merk ik op dat ook de plaats van het inschot, de baan van het schot en de schootsafstand, een en ander als door het Hof vastgesteld, bij elkaar genomen in de richting van een opzettelijk handelen wijzen.
11. Het mag dan zo zijn dat voorbedachte raad niet kan worden aangenomen, het bewezenverklaarde opzet kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring in dit opzicht naar de eis der wet met redenen is omkleed.
12. De derde deelklacht van het eerste middel klaagt, als gezegd, dat niet alle feiten en omstandigheden die het Hof heeft vastgesteld uit de bewijsconstructie kunnen worden afgeleid.
13. De steller van het middel doelt ten eerste op ’s Hofs vaststelling dat [slachtoffer 1] (van de auto) is weggelopen. Dit volgt naar mijn mening wel uit de bewijsconstructie, met name ook gelet op de afstand tussen de plek waar [slachtoffer 1] is aangetroffen en de plaats waar [medeverdachte] de auto had geparkeerd. Waarom dit niet verenigbaar zou zijn met de vaststelling van het Hof dat het slachtoffer enkele meters van de auto is aangetroffen, is mij niet duidelijk. Hoe ver er feitelijk gerend is, is irrelevant; bovendien kan sprake zijn geweest van heen en weer rennen.
14. Dat zowel verzoeker als medeverdachte [medeverdachte] een vuurwapen bij zich had, kan worden afgeleid uit de inhoud van de hierboven door mij onder 8 weergegeven verklaringen. [medeverdachte] pakte een vuurwapen onder zijn bestuurdersstoel vandaan, zo luidt de verklaring van de getuige [getuige 1] en ook de verklaring die [medeverdachte] als getuige in de zaak van verzoeker heeft afgelegd. Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat hij buiten de auto [slachtoffer 1] met de kolf van zijn wapen op het hoofd heeft geslagen. En verzoeker heeft verklaard dat hij een vuurwapen vasthad toen hij, [medeverdachte] en [slachtoffer 1] uit de auto stapten. Daarbij wijs ik erop dat twee vuurwapens zijn aangetroffen, één op de plek waar [medeverdachte] destijds verbleef en één van het merk Zastava in het kader van het onderzoek tegen [A] , waarvan het NFI de conclusie heeft getrokken dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met dat wapen de hulzen zijn verschoten die op 13 januari 2013 ter plaatse zijn aangetroffen.
15. Verder kan uit de bewijsconstructie van het Hof worden afgeleid dat verzoeker en [medeverdachte] met [slachtoffer 1] wilden vechten, hem wilden droppen, zij beiden voorzien waren van vuurwapens en zij (een stukje verderop) in gevecht zijn geraakt met [slachtoffer 1] waarbij [slachtoffer 1] werd geslagen en geschopt. Dat verzoeker [slachtoffer 1] (ook) met een vuurwapen heeft geslagen, volgt inderdaad niet expliciet uit de bewijsconstructie. Maar het belang van deze deelklacht ontgaat mij, nog daargelaten dat het slaan door verzoeker met een vuurwapen in de hand wellicht kan worden afgeleid uit de omstandigheden dat hij (i) een vuurwapen vasthad en er (ii) ook door hem is geslagen. De steller van het middel heeft een klein punt met zijn deelklacht over ’s Hofs vaststelling dat verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer 1] hebben geschopt terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Uit ’s Hofs bewijsvoering volgt wel dat verzoeker en [medeverdachte] hebben geschopt en geslagen, maar niet dat [slachtoffer 1] op dat moment (al) op de grond lag. Het gaat hier echter om een bijzaak, een puntje van ondergeschikt belang, dat ’s Hofs bewijsvoering in zijn geheel niet onbegrijpelijk maakt en om die reden niet tot cassatie kan leiden.
16. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.
17. Gezien de hierboven vermelde vaststellingen van het Hof, die naar mijn inzicht geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet onbegrijpelijk zijn (behoudens het schoppen en slaan terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag), zijn het tweede en het derde middel ook tot mislukking gedoemd.
18. Zo kan het medeplegen uit ’s Hofs bewijsconstructie worden afgeleid. Meer in het bijzonder in het licht van het overzichtsarrest van de Hoge Raad over medeplegen (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474), is het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigend oordeel van het Hof dat verzoeker als medepleger van doodslag moet worden aangemerkt niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Verzoeker heeft immers een wezenlijke bijdrage geleverd aan het delict - een bijdrage derhalve die van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen (in de zin van het “tezamen en in vereniging”) te komen - door de uitvoeringshandeling voor zijn rekening te nemen en [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven. Daarnaast meen ik dat het medeplegen van [medeverdachte] uit de bewijsconstructie kan worden afgeleid: hij is samen met verzoeker gewapend op weg naar een drugsdeal gegaan waarbij het – zo kan worden afgeleid uit het OVC-gesprek tussen [medeverdachte] en zijn vriendin - van meet af aan de bedoeling was de man ( [slachtoffer 1] dus, EH) te “droppen”. Voorts heeft [medeverdachte] met betrekking tot de gevechtshandelingen een minstens even grote rol gespeeld als verzoeker, heeft hij zich niet gedistantieerd en is hij na de schietpartij te samen met verzoeker gevlucht. Ook wat het medeplegen betreft, is de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed.
19. Het tweede middel faalt.
20. Wat het
derde middelbetreft, ten aanzien van het beroep op noodweer en noodweerexces heeft het Hof het volgende overwogen:

“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

(…)
Het hof heeft hiervoor overwogen dat in het midden wordt gelaten of [slachtoffer 1] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond. Evenmin is afdoende komen vast te staan dat het slachtoffer moest worden achtervolgd om een weggenomen autosleutel af te nemen. Het hof heeft voorts overwogen dat op grond van de bewijsmiddelen vast is komen te staan dat op enig moment verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer 1] uit de auto waren. Op dat moment hadden verdachte en [medeverdachte] ieder een vuurwapen vast. [slachtoffer 1] is vervolgens weggelopen. Hij is achtervolgd door verdachte en [medeverdachte] die beiden bewapend waren. [medeverdachte] is op [slachtoffer 1] gesprongen en verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer 1] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen. Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer 1] geschopt, terwijl hij op de grond lag. Verdachte heeft tweemaal op [slachtoffer 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.
Deze vaststelling van de feitelijke gang van zaken kan naar het oordeel van het hof niet tot een andere conclusie leiden dan dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de zijde van verdachte en er aldus geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Het hof verwerpt derhalve het verweer op noodweer.
(…)

Strafbaarheid van de verdachte

(…)
Het feit dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een noodweersituatie staat een beroep op noodweerexces in de weg. Daarom verwerpt het hof het beroep op noodweerexces.”
21. De feiten en omstandigheden zoals door het Hof vastgesteld sluiten naar het oordeel van het Hof een beroep op noodweer onderscheidenlijk noodweerexces uit, nu het heeft vastgesteld dat [slachtoffer 1] is achtervolgd door verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] , dat [slachtoffer 1] in deze overtalsituatie van twee met vuurwapens gewapende personen tegen de grond is gewerkt, dat met een semi-automatisch vuurwapen tweemaal op hem is ingeschoten (met schootsafstand 0 cm) en dat [slachtoffer 1] in zijn bovenlichaam is geraakt. Dat oordeel is in het licht van het geringe dat de verdediging ter zake op de terechtzitting van het Hof naar voren heeft gebracht naar behoren gemotiveerd, waarbij ik tevens in aanmerking neem dat niet is kunnen worden vastgesteld, en ook niet aannemelijk is gemaakt, dat [slachtoffer 1] over een vuurwapen beschikte.
22. Het derde middel faalt eveneens.
23. Het
vierde middelklaagt dat het Hof bij het aanhalen van de justitiële documentatie heeft gelet op eerdere veroordelingen die ten tijde van het begaan van het onderhavige delict nog niet onherroepelijk waren, zowel wat betreft de opgelegde straf voor de doodslag als voor het bepalen van de feiten die naar het oordeel van het Hof niet meer aan de orde waren (hierna verder: de ‘andere feiten’). Voorts zou de strafmotivering voor de ‘andere feiten’ niet voldoen aan het bepaalde in art. 359, vijfde en zesde lid, Sv. Ten slotte wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 423, vierde lid, Sv.
24. Het bestreden arrest houdt voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang in:

“Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- het volgende.
De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep geëist dat voor het geval het hof komt tot een vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde en tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde, de verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren en zes maanden en ten aanzien van parketnr. 16-711030-08 onder 2 en parketnr. 16-711030-08 onder 1 primair bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en zes maanden. Daarbij heeft de advocaat-generaal gewezen op de zeer ernstige en onherstelbare gevolgen voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] , de omstandigheid dat verdachte slechts een aantal weken na de dood van [slachtoffer 1] heeft geprobeerd om samen met een ander een gewapende overval op een woning te plegen, dat verdachte lange tijd geen openheid van zaken heeft willen geven en dat verdachte slechts elf dagen voor de moord op [slachtoffer 1] is vrijgekomen na een gevangenisstraf van negen jaren voor - onder meer – een geweldsdelict met gebruikmaking van een vuurwapen, waarvan hij zes jaren heeft uitgezeten. Volgens de advocaat-generaal bestaat, nu de verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn persoon en weigert mee te werken aan gedragsdeskundig onderzoek, een zodanige kans op herhaling dat terugkeer van de verdachte in de maatschappij onaanvaardbaar is.
De verdediging heeft aangevoerd dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met de artikelen 3 en 5 van het EVRM.
Volgens de verdediging zou moeten worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste 10 jaar en zou ten voordele van de verdachte moeten worden meegewogen dat de redelijke termijn is geschonden.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, door op 13 januari 2008 te Utrecht samen met zijn mededader [slachtoffer 1] met een schot dood te schieten.
Alhoewel er verschillende mogelijke achterliggende scenario's de revue zijn gepasseerd (een conflict in verband met een mislukte drugs- of juist een ripdeal), is tijdens het onderzoek op de zitting niet duidelijk geworden wat nu het precieze motief voor dit schietincident is geweest.
Doodslag is een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, nu het opzettelijk ontnemen van iemands leven een onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is.
Dit feit maakt daarmee een diepe deuk in de rechtsorde.
De verdachte heeft de familieleden van het slachtoffer groot leed aangedaan.
Zijn verlies, de pijn en het verdriet over zijn gewelddadige dood zullen zij allen de rest van hun leven met zich moeten dragen.
Ook in de maatschappij leveren dergelijke feiten veel angst en onrust op.
Meerdere mensen die zich op 13 januari 2008 in de buurt van het incident bevonden zijn immers ongewild getuige geweest van het incident en weten dat daarbij iemand het leven heeft verloren. Zij hebben ofwel verdachte zien schieten ofwel de afgevuurde schoten gehoord. De ervaring leert dat getuigen hiervan nog langdurig psychische schade kunnen ondervinden.
Blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2014 is de verdachte al eerder veroordeeld voor gewelddadige diefstallen en wapenbezit. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte toen hij [slachtoffer 1] om het leven bracht nog maar elf dagen op vrije voeten was, nadat hij wegens berovingen met gebruikmaking van een vuurwapen was veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en daarvan zes jaren had uitgezeten. Bovendien heeft de verdachte kort nadat hij [slachtoffer 1] om het leven had gebracht, geprobeerd om een gewapende overval te plegen.
Ook is acht geslagen op de inhoud van de omtrent de persoon van verdachte opgemaakte PBC-rapportage.
Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum van 15 jaar en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan, ondanks het tijdverloop, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.
Alles afwegende acht het hof na te melden gevangenisstraf dan ook passend en geboden.
(…)
Bepaling van de hoofdstraf op grond van het bepaalde in art. 423, vierde lid, Sv
Nu het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk wordt vernietigd en daarbij één hoofdstraf werd opgelegd bij samenloop van meerdere misdrijven, moet het hof op grond van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, opnieuw de hoofdstraf bepalen voor de bij dat vonnis onder parketnr. 16-71 1030-08 onder 2 en onder parketnr. 16-600905-08 onder 1 primair bewezenverklaarde.
De hierna te melden straf is bepaald in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich, ondanks dat hij al eerder ter zake van al dan niet gewelddadige vermogensdelicten en wapenbezit tot straf is veroordeeld, wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten, op grond waarvan het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht.”
25. Om met de splitsing van de hoofdstraffen op grond van art. 423, vierde lid, Sv te beginnen. Deze bepaling luidt:
"Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald."
26. Het Hof heeft, gelet op het vonnis van de rechtbank, aanleiding gezien art. 423, vierde lid, Sv toe te passen. Aanvankelijk had het Hof, in zijn uitspraak van 31 mei 2012, een deel van de zaak van het hoger beroep uitgesloten omdat verzoeker van een deel van de tenlastelegging was vrijgesproken en voor de feiten één hoofdstraf was uitgesproken. In de bestreden uitspraak heeft het Hof kennelijk bedacht dat het vonnis, waarvan beroep, gedeeltelijk moet worden vernietigd en dat gelet op art. 423, vierde lid, Sv de straf ten aanzien van de ‘andere feiten’ opnieuw moet worden bepaald. Dat is echter een misvatting. [4] Zie de volgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3455:
“3.3. In HR 27 januari 2004, LJN AN8240, NJ 2005/54 is geoordeeld dat ingeval bij de uitspraak in hoogste feitelijke aanleg ter zake van meerdere feiten één hoofdstraf is opgelegd, het cassatieberoep tot één of meer van die feiten is beperkt en de Hoge Raad de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging vernietigt, de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen of verwezen - naar analogie van art. 423, vierde lid, Sv - de straf zal dienen te bepalen voor de feiten die niet aan het oordeel van de Hoge Raad waren onderworpen.
3.4.
Ingevolge art. 429 Sv Pro kan het cassatieberoep worden ingesteld tegen een gedeelte van 's Hofs arrest. Die beperking van het beroep dient tot uitdrukking te worden gebracht in de cassatieakte en niet in de cassatieschriftuur.
3.5.
In aanmerking genomen dat de akte die is opgemaakt bij het instellen van het cassatieberoep tegen het arrest van het Hof van 8 oktober 2008, generlei beperking van het beroep inhoudt, terwijl het arrest waarbij de zaak is teruggewezen naar het Hof ook niets inhoudt omtrent een beperkte uitleg die door de Hoge Raad is gegeven aan het ingestelde beroep, heeft het Hof, dat was gebonden aan de door de Hoge Raad gegeven beslissing, terecht art. 423, vierde lid, Sv niet - ook niet naar analogie - toegepast. Naar uit het vorenoverwogene volgt, doet daaraan niet af dat in de eerste cassatieschriftuur uitsluitend werd geklaagd over de beslissingen van het Hof ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.”
27. Hoewel het Hof alleen ten aanzien van feit 1 de zaak opnieuw heeft moeten beoordelen, hoefde het wat de strafoplegging betreft de gevangenisstraffen niet opeens te splitsen. Het Hof had hier gewoon één gevangenisstraf kunnen en moeten opleggen. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Daarmee zeg ik niet dat het in zoverre tot cassatie heeft te leiden. Ik kom hier aanstonds op terug en vervolg eerst met de klacht over de justitiële documentatie.
28. Het Uittreksel Justitiële Documentatie waarnaar het Hof verwijst, dateert van 26 maart 2014. Daarop staan onder het hoofd “Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” een op 30 juni 2001 gepleegde afpersing door twee of meer verenigde personen, een op 4 juni 2001 gepleegde poging tot doodslag, een op 7 februari 2003 gepleegde poging tot gekwalificeerde doodslag en “overige”, waarvoor verzoeker is veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf. Deze straf is blijkens het Uittreksel op 22 februari 2003 onherroepelijk geworden. Op deze straf heeft het Hof in zijn strafmotivering gedoeld. Het vonnis van de rechtbank van 28 april 2010, het vernietigde arrest van het Hof van 31 mei 2012 en de bestreden uitspraak vermelden omtrent die onherroepelijke veroordeling dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen, waaraan in het vonnis is toegevoegd dat een slachtoffer daarbij zeer ernstig gewond raakte. [5]
29. Voor zover het middel klaagt over de verwijzing naar de justitiële documentatie in ’s Hofs strafmotivering aangaande de doodslag en bij het bepalen van de straf voor de ‘andere feiten’, is het derhalve tevergeefs voorgesteld.
30. Dan de gestelde schending van art. 359, vijfde en zesde lid, Sv bij het bepalen van de gevangenisstraf voor de ‘andere feiten’. Zoals ik hiervoor heb geconcludeerd, heeft het Hof ten onrechte de hoofdstraffen gesplitst. Ik geef Uw Raad in overweging de bestreden uitspraak verbeterd te lezen, in dier voege dat voor alle feiten één straf wordt opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van achttien (veertien plus vier) jaren. Ik zie geen enkele reden om aan te nemen dat - zou het Hof (wel) één hoofdstraf voor alle feiten hebben opgelegd – de hoogte van de gevangenisstraf anders dan achttien jaren was uitgevallen.
31. Tot cassatie hoeft de klacht over de splitsing van straffen dan niet te leiden, terwijl de klacht dat bij het bepalen van de straffen voor de ‘andere feiten’ art. 359, vijfde en zesde lid, Sv is geschonden, verder buiten bespreking kan blijven.
Het middel voorgesteld namens de benadeelde partij.
32. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de aanvullende kosten van de rechtsbijstand buiten beschouwing heeft gelaten.
33. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen, en verzoeker in dat verband onder meer verwezen “in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten”. Het Hof heeft met betrekking daartoe op grond van art. 592a Sv terecht een aparte beslissing gegeven, nu het hier geen rechtstreekse schade betreft. Over de gemaakte en nog te maken kosten vallen de kosten voor de rechtsbijstand, die in het onderhavige geval kunnen gelden als “proceskosten” en bestaan uit gemaakte kosten die niet door de zorgverzekeraar zijn vergoed (de eigen bijdrage, een bedrag van in totaal € 220,00). [6] Vergoeding van die kosten is mogelijk op grond van art 6:96, tweede lid, BW. Dat het Hof die kosten tot aan de datum van de uitspraak heeft begroot op nihil, kan daaraan niet afdoen.
34. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het Hof de opgevoerde kosten rechtsbijstand niet buiten beschouwing heeft gelaten.
Slotsom
35. Het eerste, het tweede, het derde middel en voor een deel het vierde middel namens verzoeker voorgesteld, kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vierde middel is ten dele terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan eveneens met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
36. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1755.
2.En dat [slachtoffer 1] geen wapen bij zich had. Dit punt laat ik voor wat het is, nu volgens de overwegingen van het Hof verzoeker en [medeverdachte] hebben verklaard dat [slachtoffer 1] wel een wapen bij zich had en het Hof het vanwege die tegenstrijdigheid en onduidelijkheid in het midden heeft gelaten of [slachtoffer 1] wel of niet een wapen bij zich had.
3.Aldus het Hof onder het hoofd “Vrijspraak” (arrest, blad 4).
4.Het Hof had dat aanvankelijk, in zijn arrest van 31 mei 2012, terecht niet gedaan.
5.Zie vonnis , p. 28, vernietigd arrest, p. 19 en bestreden arrest, p. 12.
6.Zie HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801.