Op 13 januari 2008 werd [slachtoffer 1] in Utrecht door verdachte en medeverdachte met vuurwapens belaagd en uiteindelijk gedood door twee schoten op zeer korte afstand. Het Hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte tot elf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van doodslag en kende schadevergoeding toe aan de benadeelde partij.
De Hoge Raad behandelde cassatieberoepen waarin werd betwist dat het Hof voldoende bewijs had voor de bewezenverklaring, met name over de aanwezigheid van vuurwapens, het verloop van de gebeurtenissen en het opzet tot doodslag. De Raad concludeerde dat de bewijsconstructie toereikend en begrijpelijk was en dat het alternatieve scenario van een ongeluk niet aannemelijk was.
Ook het oordeel over medeplegen werd bevestigd, waarbij de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte werd onderstreept. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij betreffende aanvullende rechtsbijstandskosten als terecht beoordeeld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde het arrest van het Hof, waarmee de veroordeling en schadevergoeding definitief werden vastgesteld.