Verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot doodslag en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, met bijkomende voorwaarden en een werkstraf. Het hof verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat het oordeelde dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn oordeel dat er geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar was. Hoewel het hof vaststelde dat verdachte bij zijn schouder werd vastgepakt en het mobieltje werd uit zijn hand geslagen, achtte het hof dit niet voldoende voor een noodweersituatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk was en dat het beroep op noodweerexces niet kon slagen zonder aanneming van een noodweersituatie. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling op het bestaande hoger beroep.
De zaak draait om de vraag of het steken met een mes in de keel van [betrokkene 1] het gevolg was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en of de grenzen van noodzakelijke verdediging waren overschreden. Het hof had geoordeeld dat de aanval al was beëindigd, maar de Hoge Raad vond dat onvoldoende onderbouwd.