ECLI:NL:PHR:2015:1607

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2015
Publicatiedatum
24 augustus 2015
Zaaknummer
14/01129
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onduidelijkheid over noodweersituatie en verwijst terug

Verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot doodslag en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, met bijkomende voorwaarden en een werkstraf. Het hof verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat het oordeelde dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn oordeel dat er geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar was. Hoewel het hof vaststelde dat verdachte bij zijn schouder werd vastgepakt en het mobieltje werd uit zijn hand geslagen, achtte het hof dit niet voldoende voor een noodweersituatie.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk was en dat het beroep op noodweerexces niet kon slagen zonder aanneming van een noodweersituatie. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling op het bestaande hoger beroep.

De zaak draait om de vraag of het steken met een mes in de keel van [betrokkene 1] het gevolg was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en of de grenzen van noodzakelijke verdediging waren overschreden. Het hof had geoordeeld dat de aanval al was beëindigd, maar de Hoge Raad vond dat onvoldoende onderbouwd.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende motivering over het ontbreken van een noodweersituatie.

Conclusie

Nr. 14/01129
Zitting: 23 juni 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Nadere conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 3 februari 2014 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, waaraan het hof een proeftijd van twee jaren en een aantal bijzondere voorwaarden heeft verbonden, alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis. Tevens is de vordering van de benadeelde partij toegewezen en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.
Op 31 maart 2015 heb ik in deze zaak een conclusie genomen en daarin uitsluitend het tweede middel besproken, dat volgens mij slaagt. Op verzoek van de Hoge Raad zal ik aanvullend concluderen over het eerste middel.
Beide middelen hebben betrekking op de verwerping van het beroep op noodweer(exces). Het tweede, reeds besproken, middel stelt aan de orde dat het hof onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in zijn oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding noch van een onmiddellijk dreigend gevaar. Zoals hiervoor al gezegd meen ik dat dit middel slaagt. In het
eerste middelwordt geklaagd dat het hof bij de verwerping van het beroep van verdachte op noodweer subsidiair noodweerexces de betekenis van het bepaalde in art. 41 Sr Pro heeft miskend, omdat het hof daarbij de mogelijkheid heeft opengelaten dat het steken door verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt is door de (voorafgaande) aanranding en waarbij wellicht de grenzen van noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Ik vat het middel zo op dat geklaagd wordt over de verwerping van het beroep op noodweerexces.
Voor een samenvatting van het door de raadsvrouw van verdachte bij het hof gevoerde verweer verwijs ik naar mijn conclusie van 31 maart 2015 onder punt 5.
Voor de leesbaarheid van deze nadere conclusie zal ik de overweging waarmee het hof het verweer heeft verworpen hier nogmaals weergeven:
“Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet allereerst worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk was. Naar oordeel van het hof kunnen de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen. Op 1 februari 2011 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 1] over een telefoonoplader die verdachte niet had teruggegeven aan [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft in dat telefoongesprek aangekondigd dat hij direct langs zou komen om die oplader op te halen. Aangekomen bij het huis van verdachte, [a-straat], te Amersfoort, werd [betrokkene 1] de toegang tot die woning geweigerd totdat een zus van verdachte de deur van de woning open deed. [betrokkene 1] is de woning binnen gelopen en is tegenover verdachte gaan staan die in een stoel in de woonkamer zat. [betrokkene 1] zei tegen verdachte dat hij mee naar buiten moest komen. Verdachte belde daarop met zijn mobieltje 112. [betrokkene 1] heeft verdachte toen bij zijn schouder gepakt en het mobieltje uit zijn hand geslagen. Daarop heeft verdachte [betrokkene 1] met een mesje in zijn keel gestoken. In hoger beroep is door de verdediging naar voren gebracht dat [betrokkene 1], voordat verdachte hem met een mes in zijn keel stak, verdachte bij zijn keel had vastgepakt. Het hof acht dit echter niet aannemelijk geworden, nu [betrokkene 1] noch de getuigen hebben verklaard dat verdachte bij zijn keel werd vastgepakt door [betrokkene 1]. Dat maakt dat naar het oordeel van het hof de aanval van de zijde van [betrokkene 1] reeds was geëindigd toen verdachte, gelet op zijn verklaring in hoger beroep, besloot dat [betrokkene 1] uitgeschakeld diende te worden door hem met een mes in zijn keel te steken zodat hij verdachte en zijn familie niets meer kon aandoen.
Het hof acht op grond van het vorenstaande niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1] jegens verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Derhalve moet worden geconcludeerd dat verdachte zich ten tijde van zijn gewelddadige handelen niet bevond in een noodweersituatie waarin hij gerechtigd was zich te verdedigen.
Het beroep op noodweer faalt reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Om diezelfde reden faalt derhalve ook het beroep op noodweerexces.”
7. In de toelichting op het middel wordt kort samengevat betoogd dat het hof de beslissing op de vraag of er sprake was van noodweerexces heeft laten afhangen van de vraag of de aanval van [betrokkene 1] reeds was geëindigd toen verdachte hem met een mes in zijn keel stak, terwijl het einde van de aanval niet per definitie een beroep op noodweerexces uitsluit.
8. Ik meen dat de in het middel vervatte klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft het beroep op noodweer c.q. noodweerexces niet afgewezen op de grond dat de aanval van [betrokkene 1] reeds was geëindigd, maar op de grond dat het hof (hierdoor) niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dus geen sprake van een noodweersituatie. Op zichzelf heeft het hof daarbij de juiste maatstaf aangelegd. Bij een beroep op noodweerexces dient de rechter immers, zo volgt uit HR 13 juni 2006 [1] , te onderzoeken of:
de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien
op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
9. Dat betekent dat als er geen noodweersituatie wordt aangenomen, zoals het hof heeft gedaan, een beroep op noodweerexces ook niet kan slagen.
10. Het eerste middel faalt.
11. Ik heb al eerder geconcludeerd dat mijns inziens het tweede middel wel slaagt omdat ik het oordeel van het hof dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, zodat hij zich ten tijde van zijn gewelddadig handelen niet bevond in een noodweersituatie, gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet begrijpelijk acht. Daaraan wil ik nog toevoegen dat ook al heeft het hof niet aannemelijk geacht dat verdachte bij zijn keel werd vastgepakt door [betrokkene 1], dit onverlet laat dat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] verdachte bij zijn schouder heeft gepakt en het mobieltje uit zijn hand heeft geslagen, hetgeen op zichzelf als een ogenblikkelijke wederrechterlijke aanrandig zou kunnen worden aangemerkt. Daarbij blijkt uit het de door het hof gebezigde bewijsmiddel 3, de verklaring van de getuige en zus van verdachte, dat [betrokkene 1] verdachte niet alleen bij zijn rechterarm of schouder vast pakte, maar dat ze ook in een worsteling raakten.
12. Ook al faalt het eerste middel, vanwege de omstandigheid dat het tweede middel slaagt handhaaf ik mijn conclusie die strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te laten berechten en afdoen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3569, rov 3.4., herhaald in HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.3.