ECLI:NL:PHR:2015:1608

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2015
Publicatiedatum
24 augustus 2015
Zaaknummer
14/01139
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a SvArt. 574 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake beslag tenuitvoerlegging Duitse ontnemingsuitspraak

Klaagster had een klaagschrift ingediend tegen conservatoir beslag op haar sieraden en auto, gelegd in het kader van een Duits rechtshulpverzoek tot tenuitvoerlegging van een ontnemingsuitspraak tegen haar voormalig echtgenoot. De Rechtbank Overijssel verklaarde dit klaagschrift ongegrond en verklaarde de tenuitvoerlegging toelaatbaar voor een bedrag van €4.559, gerelateerd aan de waarde van de in beslag genomen goederen.

Klaagster stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking. De Hoge Raad oordeelt dat de beslissing van de Rechtbank tot tenuitvoerlegging onherroepelijk is geworden omdat geen rechtsmiddel tegen de uitspraak is ingesteld. Hierdoor kon de tenuitvoerlegging reeds in februari 2014 aanvangen.

De Hoge Raad benadrukt dat het verhaal van de inbeslaggenomen goederen plaatsvindt via het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en dat derden die rechten op deze goederen menen te hebben zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden. Klaagster heeft daarom geen belang meer bij haar cassatieberoep tegen de beschikking waarin haar klaagschrift ongegrond is verklaard.

Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van klaagster niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de Duitse ontnemingsuitspraak onherroepelijk is en de tenuitvoerlegging rechtsgeldig is gestart.

Conclusie

Nr. 14/01139 B
Zitting: 23 juni 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[klaagster]
1. De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 22 januari 2014 het door klaagster ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.
2. Tegen deze uitspraak is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.
3. Namens klaagster heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld. Aan een bespreking van dit middel kom ik niet toe gelet op het volgende.
4.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking waarbij een klaagschrift van klaagster strekkende tot teruggave aan haar van een aantal - in het kader van een rechtshulpverzoek van de Bondsrepubliek Duitsland - conservatoir inbeslaggenomen goederen ongegrond is verklaard.
4.2. Het betreft hier goederen waarop naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Duitse autoriteiten door het Openbaar Ministerie conservatoir beslag is gelegd. De Duitse autoriteiten hebben een rechtshulpverzoek gedaan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een in Duitsland gewezen rechterlijke beslissing waarbij de voormalig echtgenoot van klaagster, [betrokkene], is veroordeeld tot onder meer betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uitspraak van 15 januari 2014 van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, waarin de tenuitvoerlegging van deze Duitse rechterlijke beslissing toelaatbaar is verklaard voor een bedrag van € 4.559. Blijkens de uitspraak van de Rechtbank is dit bedrag gerelateerd aan de (geschatte) waarde van de onder klaagster in beslag genomen sieraden en auto.
4.3. Navraag bij de Rechtbank leerde dat geen rechtsmiddel is ingesteld tegen de uitspraak in de zaak [betrokkene]. Dit betekent dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de Duitse uitspraak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel onherroepelijk is en dat reeds in februari 2014 kon worden aangevangen met de tenuitvoerlegging van de Duitse ontnemingsvordering tot het hiervoor genoemde bedrag.
4.4. Het verhaal van de in het beklag bedoelde voorwerpen vindt op grond van art. 574 lid 1 Sv Pro plaats op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het derde lid van dit wetsartikel houdt in dat ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen eveneens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn. Dit betekent dat klaagster geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank waarin haar beklag ex art. 552a Sv ongegrond is verklaard. Klaagster zal zich op grond van art. 574 lid 3 Sv Pro ten aanzien van de in het klaagschrift bedoelde goederen moeten wenden tot de burgerlijke rechter. [1]
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:601.