Conclusie
eerste middelklaagt erover dat het Hof ter terechtzitting van 17 januari 2013 een verzoek van de verdediging om twee personen als getuige te horen op onjuiste gronden heeft afgewezen, dan wel dat de verdediging door de afwijzing een wezenlijk verdedigingsrecht is onthouden.
tweede middelkeert zich tegen de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde met parketnummer 15-741191-10.
“Feiten en omstandigheden
“Gevoerde verweren
derde middelklaagt dat het Hof de directe uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde heeft bevolen zonder dat uit het arrest blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijk bevel.
vierde middelklaagt over de overschrijding van de redelijke termijn. Tegen het arrest van het Hof is op 18 april 2013 beroep in cassatie ingesteld. Gezien een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 13 februari 2014. Daarmee is de hier toepasselijke inzendtermijn van zes maanden overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen veertien maanden na het instellen van het beroep in cassatie, behoort niet meer tot de mogelijkheden.