Conclusie
1.Feiten
breach of duty of care.
(“Bank”) has informed WMI that it is willing to issue a bank guarantee in favour of [A] (...) in the maximum aggregate amount of € 135,000,000.00 (...).
2.Procesverloop
gegrondwas - zal moeten worden onderzocht of Wyeth voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd - en te bewijzen heeft aangeboden - om te kunnen concluderen dat [A] zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht. Van dit laatste zal sprake zijn wanneer [A] de beslagen heeft gelegd met geen ander doel dan om Wyeth te schaden of wanneer [A] , in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen haar belang bij de uitoefening van haar recht en het belang van Wyeth dat daardoor werd geschaad, gelet op de hoogte van het bedrag waarvoor zij het beslag heeft gelegd, gelet op de noodzaak om beslag te leggen en het beslag gedurende zekere tijd te handhaven en gelet op een mogelijke onevenredigheid tussen de waarde en omvang van de beslagen goederen enerzijds en het begrote bedrag van de vordering anderzijds, naar redelijkheid tot die uitoefening had kunnen komen. Essentieel is dat bij beantwoording van de vraag of misbruik van recht is gemaakt, dient te worden uitgegaan (niet van het uiteindelijke lot van de vordering waarvoor het beslag is gelegd maar) van de concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging.
3.Inleiding
nietde bedoeling is om de door een schikking geëindigde Ierse procedure “na te doen”. Het Hof heeft daaruit de voor de hand liggende conclusie getrokken dat dus niet kan worden gezegd dat de vordering geheel
ongegrondwas (rov. 3.9).
maguitzoeken of de vordering waarvoor beslag is gelegd gegrond was en zo ja voor welk bedrag. De rechter tast dan verder in het duister. In een dergelijke setting ligt erg weinig voor de hand om na te gaan denken over de vraag of de jurisprudentiële maatstaf voor de aansprakelijkheid voor het leggen van beslag al dan niet op de helling moet. [6]
4.Bespreking van het principale middel
onderdeel 2.1). Het Hof zou hebben miskend dat in geval de beslagene ter vervanging van een conservatoir beslag een bankgarantie ter dekking van de beslagvordering heeft gesteld, de beslaglegger als uitgangspunt uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de kosten van die bankgarantie voor zover deze heeft gediend ter dekking van een hoger bedrag dan de gegronde beslagvordering (het "garantiesurplus") (
onderdeel 2.2).
onderdeel 2.3).
onderdeel 2.4).
onderdeel 2.5).
onderdeel 2.6).
geheel ongegrondis. Indien de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd
slechts gedeeltelijkwordt toegewezen, heeft dit niet tot gevolg dat het beslag ten onrechte is gelegd. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van de criteria die gelden voor misbruik van recht, aldus Uw Raad. [9]
in het algemeenanders zou willen denken, zie ik niet goed in hoe dat Wyeth in deze zaak te stade zou kunnen komen. Het Hof heeft, overeenkomstig de wens van partijen, zich niet begeven in beoordeling van de vraag of [A] een vordering op Wyeth had en zo ja voor welk bedrag; zie hiervoor onder 3.3 en 3.4. Toepassing van de door het onderdeel bepleite benadering zou daarom in deze zaak praktisch onuitvoerbaar zijn. Daar komt nog bij hetgeen het Hof in rov. 3.13 sub a, b, c, e, f en h heeft vermeld.
nietverwijt dat zij het beslag (de Bankgarantie) voor een te hoog bedrag heeft gehandhaafd, zoals blijkt uit rov. 3.16 van het eindarrest onder verwijzing naar nr. 113 MvG, waar dat inderdaad in niet voor misverstand vatbare bewoordingen is te lezen.
onder b genoemde stellingis het Hof ingegaan in rov. 3.13 onder g. De
overige stellingenhad Wyeth kunnen en m.i. ook moeten betrekken in het kader van de procedures over de beslaglegging; volgens ’s Hofs – niet bestreden – oordeel heeft Wyeth dat evenwel nagelaten; zie rov. 3.13 onder e en h. Verder heeft het Hof nog fijntjes op het volgende gewezen:
(stelling g)heeft het Hof adequaat besproken in rov. 13 onder d. Ook wanneer iets zou kunnen worden afgedongen op ’s Hofs oordeel, dan blijft overeind dat een megaverlies in een direct voorafgaand jaar niet aanstonds wijst op een “
bestendiggezond bedrijf”. Bovendien is de stelling waarop het onderdeel leunt uitermate vaag.
onderdeel 2.6. Het faalt reeds omdat het slechts verwijst naar stellingen die Wyeth in het kader van het verweer tegen de reconventionele vorderingen heeft aangevoerd. Bovendien ziet Wyeth eraan voorbij dat haar stelling uiterst vaag is, terwijl niet duidelijk wordt gemaakt wat uit de
geconsolideerdecijfers van
AHP Holdings B.V.met betrekking tot de financiële positie van
Wyethvoor [A] duidelijk had kunnen worden.
dusde aansprakelijkheidsmaatstaf voor de beslaglegger op de schop moet. Er zijn, zoals onder 4.9.1 al aangegeven, ook andere mogelijkheden. Voor het overige moge ik verwijzen naar de dupliek van mr. Kroes onder 2.7 – 2.9. Met mr. Kroes komt het mij voor dat in elk geval niet zonder meer, en met name ook niet zonder nadere feitelijke afwegingen, beoordeeld kan worden of deze bepaling met voeten wordt getreden. Dat stadium is in cassatie gepasseerd. Ware dat al anders, dan biedt zelfs hetgeen Wyeth hierover in cassatie te berde heeft gebracht onvoldoende houvast voor een beoordeling.
beslist nietde bedoeling is dat de procedure, die in Ierland werd gevoerd en die door middel van een schikking is geëindigd, door het Hof wordt “nagedaan” (rov. 3.9). Reeds daarom kan het Hof moeilijk worden verweten dat het toch had moeten onderzoeken of enig deel van de beslagvordering gegrond was. Het Hof heeft uitvoerig gemotiveerd waarom het, binnen het door partijen gewenste (procedurele) kader, tot zijn oordeel is gekomen. Ik vermag niet in te zien wat het Hof meer, anders of beter had kunnen doen. Het middel doet zelfs geen poging om dat uit te leggen.
prima facie(on)gegrondheid van de vordering wel degelijk onderzocht.
geheel ongegrondzijn van de beslagvordering (nu deze in het geheel niet in rechte is komen vast te staan door de beëindiging van de Ierse procedure), daarbij kennelijk aansluiting zoekend bij de jurisprudentie van Uw Raad en de risicoaansprakelijkheid van de beslaglegger indien de vordering
geheel ongegrondis. Die stelling wordt in rov. 3.9-3.10 gemotiveerd verworpen. Niet valt in te zien waarom het Hof op basis van diezelfde stellingen nog had moeten onderzoeken of enig deel van [A] ’s vordering
gegrondwas, wat, als gezegd, niet goed te verwezenlijken zou zijn geweest.
onderdeel 3.3heeft het Hof in ieder geval zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de volgende, mede in onderlinge samenhang te beschouwen, omstandigheden:
moetenbrengen, is mij evenmin duidelijk.
onderdeel 4.1.
onderdeel 4.2).
nietgeoordeeld dat Wyeth
in het geheel geen schadeheeft geleden als gevolg van de beslagen.
5.Behandeling van het voorwaardelijk incidentele middel
zonder meerontbreekt” (cursivering toegevoegd). [15] Mocht Uw Raad één of meer klachten van het principale beroep gegrond achten, dan ligt na verwijzing de vraag of dit verband
daadwerkelijkbestaat en zo ja in hoeverre dat het geval is, dus nog open.