Conclusie
onderdeel 1naar mijn mening geen kans van slagen. Ook al is de motivering van het hof juridisch niet vlekkeloos, dan blijft staan dat het hof vanuit een oogpunt van goed toezicht de voorgestelde constructie onwenselijk acht. Uw Raad kan daarvoor niet een andere afweging in de plaats stellen.
Op grond van art. 1:433 lid 1 BW Pro komen de aandelen in de plaats van het aan bewind onderworpen goed (zaaksvervanging).
Het stemrecht dat is verbonden aan de aandelen, valt onder het bewind.
De kantonrechter kan ambtshalve het bewind uitbreiden tot een of meer goederen.
Nu alle aandelen en stemrechten onder het bewind vallen en de rechthebbende in de algemene vergadering van aandeelhouders wordt vertegenwoordigd door de bewindvoerder heeft de kantonrechter wel degelijk direct toezicht op het beheer en de beschikking over het in de B.V. ingebrachte of daarvoor in de plaats gekomen vermogen.
De bewindvoerder kan besluiten tot vermindering van het geplaatste kapitaal door intrekking van aandelen met terugbetaling aan de rechthebbende.
De wet gaat expliciet uit van de mogelijkheid dat een onderneming of aandeel onder bewind kan worden gesteld (art. 1:436 lid 3 BW Pro).
De kantonrechter kan ook ter verdere bescherming, ambtshalve, beperkende handelingen aanwijzen.
Het is niet van belang dat de kantonrechter ten aanzien van het bestuur van de besloten vennootschap geen wettelijke taak of bevoegdheid zou hebben.
Op grond van de wet is de kantonrechter niet bevoegd bindende aanwijzingen te geven.
De aansprakelijkheid van de bewindvoerder is, anders dan het hof oordeelt, een voldoende waarborg (in combinatie met andere eerder vermelde mogelijkheden).
Het hof heeft ten onrechte overwogen dat de bereidverklaring van de bewindvoerder om jaarlijks aan de kantonrechter rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid van de besloten vennootschap onvoldoende is bij gebrek aan wettelijke basis en een sanctie bij de niet-nakoming.
Het oordeel van het hof dat niet vast staat of het bestuur door de bewindvoerder een blijvende situatie is, is onbegrijpelijk althans niet doorslaggevend. Ontslag en aanstelling van de bewindvoerder is immers voorbehouden aan de ava.
Onderdeel 2en
onderdeel 3gaan ervan uit dat onderdeel 1 slaagt en behoeven derhalve geen bespreking. De bij brief van 4 juni 2015 aangevoerde motiveringsklacht mist belang.