Conclusie
“opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren”veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren te vervangen door twintig dagen hechtenis waarvan twintig uren voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.
anarchistische anti-kapitalistische demonstratie” plaatsgevonden. Van deze betoging is aan de burgemeester geen kennisgeving gedaan. Voor deze betoging heeft de burgemeester van Amsterdam op 1 mei 2012 vastgesteld “
Voorschriften en beperkingen van de burgemeester op basis van artikel 5 van Pro de Wet op de openbare manifestaties”. Een van de daarin opgenomen beperkingen houdt in dat “
het dragen van gezichtsbedekkende kleding of middelen, zoals in ieder geval bivakmutsen en helmen niet is toegestaan”. Tijdens de betoging heeft de politie van alle personen die zich in de demonstratie bevonden, gevorderd “
alle gezichtsbedekking en andere voorwerpen die verboden zijn met de demonstratie mee te voeren, af te doen of te verwijderen”. Nadat aan de vordering door een groot aantal personen geen gevolg werd gegeven, zijn meerdere verdachten aangehouden wegens overtreding van art. 184 Sr Pro. De verdachte is aan arrestanten gaan hangen en aan de armen van ambtenaren die aanhoudingen verrichtten.
deverdachte is bewezenverklaard dat:
eerste middelklaagt over de bewijsconstructie en een onderdeel van de bewijsoverweging. In twee klachten wordt aangevoerd dat de bewijsconstructie onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. De eerste klacht houdt in dat het tweede en derde bewijsmiddel niet redengevend zijn. De tweede klacht houdt in dat twee door het hof gebruikte bewijsmiddelen elkaar tegenspreken. De derde klacht houdt in dat de overweging van het hof dat de verdachte zich heeft gemengd in de aanhouding “
van één van de betogers” onbegrijpelijk is.
dit oordeel en/of de bewezenverklaring” onbegrijpelijk is, zonder dat duidelijk wordt waarop “
dit” terugslaat. Voor zover het middel afzonderlijk bedoelt te klagen over de onder 1.3 van het eerste middel aangewezen vrijspraken moet het buiten bespreking blijven omdat het verder niet is onderbouwd.
2. Een ongenummerd proces-verbaal van aanhouding (aanhoudingskaart) van 1 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten:
met voldoende precisie aan te geven om welke in dit bewijsmiddel bedoelde aanhouding het gaat”. Dit onderdeel van de klacht faalt reeds omdat dit bewijsmiddel uitwijst dat de verdachte meer aanhoudingen heeft belemmerd. Daaruit heeft het hof moeiteloos kunnen afleiden dat de verdachte (ten minste) één aanhouding heeft belemmerd.
de verdachte […] deze aanhoudingen trachtte te belemmeren”.
van één van de betogers”.
De verdachte werd aangehouden omdat hij zich (fysiek) mengde in de aanhouding van een van de betogers.”
nu het hof blijkens bewijsmiddel 2 heeft vastgesteld dat verzoeker meerdere aanhoudingen probeerde te belemmeren.” Inderdaad kan uit het tweede door het hof gebruikte bewijsmiddel worden opgemaakt dat de verdachte niet alleen de aanhouding probeerde te belemmeren van de onbekend gebleven demonstrant maar ook “
meerdere aanhoudingen […] probeerde te belemmeren”.
tweede middelricht zich tegen de motivering van de bewijsconstructie. Als ik het goed zie, komt het middel in de kern erop neer dat onvoldoende is gemotiveerd dat en waarom de processen-verbaal die het hof voor het bewijs heeft gebruikt daadwerkelijk betrekking hebben op de verdachte. In twee klachten wordt aangevoerd dat de “
koppeling” met de verdachte onvoldoende is gemotiveerd. Als eerste klacht wordt aangevoerd dat de koppeling tussen twee door het hof voor het bewijs gebruikte processen-verbaal onvoldoende is gemotiveerd gelet op de daartussen bestaande discrepanties. Als tweede klacht wordt aangevoerd dat het hof op basis van eigen waarneming een koppeling heeft gelegd tussen het proces-verbaal met daaraan de zogenoemde “
aanhoudingskaart” terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 mei 2014 niet blijkt dat die eigen waarneming “
is verricht tijdens het onderzoek ter terechtzitting”.
mondeling de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek” mededeelt. De aanhoudingskaart is onderdeel van de stukken van het voorbereidend onderzoek. Op grond van art. 417, eerste lid, Sv mag de aanhoudingskaart in hoger beroep als besproken worden beschouwd.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de onbekend gebleven aangehouden persoon verdacht werd van overtreding van art. 184 Sr Pro en dat het handelen van de opsporingsambtenaren geschiedde ter uitvoering van art. 53 Sv Pro. Als ik het goed zie, worden hiertegen meer specifiek twee klachten aangevoerd. De eerste klacht houdt in dat in deze zaak slechts de opdracht had kunnen worden gegeven de demonstratie terstond te beëindigen en uiteen te gaan, welke opdracht enkel door of in opdracht van de burgemeester had kunnen worden gegeven. De tweede klacht houdt in dat het hof niet heeft vastgesteld dat de politie in opdracht van de burgemeester handelde.
omdat er geen sprake was van een handeling gebaseerd op een wettelijk voorschrift, zoals art. 184 Sr Pro voorschrijft.” Aan dit verweer is ten grondslag gelegd dat het bevel “
onbevoegd was gegeven en daarmee onrechtmatig was”. Met een beroep op een viertal vonnissen van de rechtbank Amsterdam is daarbij een beroep gedaan op de uitleg van art. 5 en Pro 6 WOM. In aanvulling hierop wordt in cassatie ook nog een beroep gedaan op art. 7 WOM Pro.
De raadsman heeft beoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
” op 1 mei 2012 die op internet was aangekondigd. Vaststaat dat van deze betoging geen kennisgeving aan de burgemeester was gedaan.
” vastgesteld. Een van die voorschriften hield in dat “het dragen van gezichtsbedekkende kleding of middelen, zoals in ieder geval bivakmutsen en helmen niet is toegestaan
”.
1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 5-7, 9-11, 13, 19-20; 1986-1987, nr. 5, p. 9-10/11; 1987-1988, p. 4-5). [4]
voorschriften en beperkingen” mag vaststellen indien geen kennisgeving is gedaan van de manifestatie – in casu: een demonstratie –terwijl die wel is vereist op grond van art. 2.32, tweede lid, APV Amsterdam. [5] Aan het middel en de eerste klacht ligt de rechtsopvatting ten grondslag dat uit de tekst van art. 5, eerste lid, WOM volgt dat de genoemde voorschriften en beperkingen alleen mogen worden gesteld “
naar aanleiding van een kennisgeving”, en dus niet als die kennisgeving niet is gedaan zoals in de onderhavige zaak. Het hof heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de tekst van art. 5, eerste lid, WOM op dit onderdeel niet letterlijk moet worden gelezen. [6]
alle gezichtsbedekking en andere voorwerpen die verboden zijn met de demonstratie mee te voeren, af te doen of te verwijderen”. Zo een vordering kan worden aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in art. 6 WOM Pro, die door de deelnemers aan de betoging in acht moeten worden genomen. Het is uiteraard niet bezwaarlijk indien de gegeven aanwijzing correspondeert met “
voorschriften en beperkingen” die de burgemeester voorafgaand aan de betoging reeds heeft vastgesteld. Zo bezien kan de burgemeester voorafgaand aan de betoging het kader scheppen waarbinnen deze mag plaatsvinden, tijdens de betoging aanwijzingen (doen) geven om deze (afhankelijk van de gang van zaken) in goede banen te leiden, [7] en als dat niet afdoende is, aan degenen die de betoging houden of eraan deelnemen opdracht geven deze betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan.
naar aanleiding van een kennisgeving”. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de WOM is met betrekking tot deze bevoegdheid het volgende opgemerkt:
In aanvulling op, of, indien geen […] kennisgeving vereist is, in plaats van de voorschriften en beperkingen die krachtens artikel [5] kunnen worden gesteld, kan het nodig zijn, tijdens een manifestatie aanwijzingen te geven aan deelnemers. Artikel [6] voorziet in de daartoe strekkende bevoegdheid. Deze bevoegdheid kan uiteraard krachtens mandaat ook door andere functionarissen dan de burgemeester worden uitgeoefend, onder verantwoordelijkheid van de burgemeester.” [8]
voorschriften en beperkingen”.
dat de politie in opdracht van de burgemeester handelde”. De tweede klacht ligt in het verlengde van de eerste klacht die ervan uitgaat dat de vordering die de betreffende politieambtenaar heeft gedaan aan de onbekend gebleven demonstrant berust op art. 5 WOM Pro. Aan de klacht ligt de rechtsopvatting ten grondslag dat de politieambtenaar daartoe niet bevoegd was omdat de burgemeester daartoe niet bevoegd was. Bij de bespreking van de eerste klacht van dit middel heb ik uiteengezet dat en waarom die gedachtegang onjuist is. Om die reden faalt de klacht: de vordering berust namelijk niet op de bevoegdheid waarin art. 5 WOM Pro voorziet, maar op art. 6 WOM Pro.