ECLI:NL:PHR:2015:178

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2015
Publicatiedatum
10 maart 2015
Zaaknummer
13/03885
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over medeplegen poging tot afpersing wegens onvoldoende motivering

Het Hof Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor poging tot afpersing gepleegd door twee of meer verenigde personen, met een straf van drie maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, en een taakstraf van 60 uren.

Verdachte stelde cassatie in tegen deze veroordeling, met als kernklacht dat uit het bewijsmateriaal niet blijkt dat hij het bewezenverklaarde heeft medepleegd. De Hoge Raad benadrukt dat voor medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking vereist is, waarbij niet noodzakelijk is dat beide medeplegers dezelfde rol vervullen, maar wel dat er voldoende bewijs is voor die samenwerking.

Uit de verklaringen blijkt dat verdachte en een medeverdachte samen het restaurant binnenkwamen en dat verdachte bedreigingen uitte. De medeverdachte heeft echter geen uitvoeringshandeling verricht en het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom sprake zou zijn van nauwe samenwerking. Daarom is het arrest niet begrijpelijk gemotiveerd en vernietigt de Hoge Raad het arrest, wijzend de zaak terug naar het Hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onvoldoende motivering omtrent medeplegen en wijst de zaak terug naar het Hof Den Haag.

Conclusie

Nr. 13/03885
Mr. Vegter
Zitting 13 januari 2015
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 5 augustus 2013 de verdachte ter zake van “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3. Het
derde middelbehelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft “medegepleegd’.
4.Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 28 juni 2010 te Meerkerk, gemeente Zederik, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] te dwingen tot de afgifte van geld (10.000 Euro) geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] de woorden heeft toegevoegd "Er moet nu betaald worden, hoe kan me niet schelen, goud, zilver of de auto van je vrouw," en/of "Ik sla je / jullie in elkaar," althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover hier van belang, op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1236 2010070115-1 van de regio politie Kennemerland, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pp 41 e.v.). Dit proces-verbaal houdt als de op 28 juni 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] onder meer het volgende in - zakelijk weergegeven -:
Op 28 juni 2010 te Meerkerk, binnen de gemeente Zederik, was ik in het AC wegrestaurant. Ik was daar met mijn zakenpartner [betrokkene 2]. [betrokkene 2] had van [verdachte] 10.000,- euro geleend. [verdachte] wilde zijn geld terug. [verdachte] vindt dat ik en [betrokkene 2] het geld moeten betalen.
Er kwamen plotseling twee mensen binnen. Dit waren [verdachte] en de meneer die mij later in de auto heeft meegenomen. Ik zag dat zij naar ons toe kwamen lopen. Ik hoorde [verdachte] roepen: "Er moet nu betaald worden, hoe kan me niet schelen, goud, zilver of de auto van je vrouw die ik gisteren voor je deur heb zien staan.' Dat laatste was naar mij gericht. Hij was dus blijkbaar bij mij in de straat geweest en had de auto van mijn vrouw gezien.
Ik heb aangegeven dat ik hier privé niets mee te maken wil hebben. [verdachte] reageerde hierop door te schreeuwen: "Ik sla je in elkaar."
2. Het proces-verbaal aangifte met nummer PL1820 2010061417-1 van de regio politie Zuid-Holland-Zuid, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pp. 90 e.v.). Dit proces-verbaal houdt als de op 29 juni 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] onder meer het volgende in - zakelijk weergegeven -:
Op 28 juni 2010 was ik in het AC wegrestaurant te Meerkerk, binnen de gemeente Zederik. Ik was daar met mijn zakenpartner [betrokkene 1]. [verdachte] kwam binnen en - naar wat later bleek – [betrokkene 3]. [verdachte] heeft nog 10.000,- euro tegoed. Ik zag dat zij naar ons toe kwamen lopen. Ik hoorde [verdachte] roepen: "Er moet nu betaald worden, hoe kan met niet schelen, goud, zilver of de auto van je vrouw die ik gisteren voor je deur heb zien staan.' Dat laatste was naar [betrokkene 1] gericht.
Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen dat hij hier privé niets mee te maken wilde hebben. [verdachte] reageerde hierop door te schreeuwen: "Ik sla je in elkaar'. Hij bleef dreigen dat er nu geld moest komen anders zou hij honkbalknuppels gaan halen.
3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 juli 2013, inhoudende als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in - zakelijk weergegeven -:
Op 28 juni 2010 heb ik in Meerkerk een ontmoeting met [betrokkene 2] en [betrokkene 1] gehad. Ik had met hen een zakelijk geschil. Ik had een geldbedrag uitgeleend. Ik had nog niet genoeg geld teruggekregen en ben verhaal gaan halen. Ik heb tegen [betrokkene 2] gezegd dat ik mijn geld terug wilde. Het interesseerde me niet op welke manier ik dat geld zou terugkrijgen. Het interesseerde me niet welke woorden ik gebruikte tijdens die ontmoeting. Ik heb klemmende bewoordingen gebruikt.
Ik erken dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] mij hebben horen zeggen: "verkoop de auto van je vrouw maar, en goud en zilver ". Ik heb dat zeker gezegd. U houdt mij voor dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat ik zou hebben gezegd: " Ik sla je in elkaar". Het zou kunnen.”
6. Om van medeplegen te kunnen spreken is in ieder geval ‘een bewuste en nauwe samenwerking’ tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) vereist. Aan die samenwerking kan in de praktijk op verschillende manieren invulling worden gegeven. Niet noodzakelijk is dat medeplegers een zelfde rol of de zelfde gedragingen verrichten [1] . Sterker nog, zolang sprake blijft van voldoende nauwe en bewuste samenwerking is niet steeds vereist dat een medepleger zelf enige uitvoeringshandeling verricht. Bij het aannemen van deze ’passieve deelneming’ dient wel enige terughoudendheid te worden betracht en zal nader bewijs nodig zijn voor de vereiste nauwe samenwerking. Zo zal de enkele omstandigheid dat naast de verdachte een tweede persoon tijdens het misdrijf aanwezig is en deze persoon zich daar niet van distantieert zonder nadere motivering in het algemeen onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring voor medeplegen te komen. Om in de woorden van De Hullu te spreken, zal het antwoord op de vraag ‘waarom het belang van de bijdrage van een minder zichtbaar handelende medepleger voldoende substantie had’ nadere motivering behoeven. [2]
7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat slachtoffer [betrokkene 1] en getuige [betrokkene 2] zich in het restaurant bevinden en op enig moment verdachte [verdachte] en een tweede persoon binnen komen. Zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] verklaren dat het verdachte [verdachte] is die zijn geld terug wil en zich in dat kader bedreigend naar hen uit. Uit de bewijsmiddelen blijkt voor wat betreft medeverdachte Hagen dat hij samen met verdachte binnen is gekomen, samen met hem in het restaurant aanwezig is alsmede dat hij volgens [betrokkene 1] degene is ‘die mij later in de auto heeft meegenomen.’ Zonder toelichting die ontbreekt zie ik hierin geen optreden op grond van een gezamenlijk plan en evenmin enige uitvoeringshandeling van de kant van de medeverdachte in het kader van de poging tot afpersing.
8. De bewijsmiddelen bevatten wel enkele globale aanknopingspunten voor het medeplegen. Niet uit te sluiten is dat door het gezamenlijke binnenkomen en aanwezig zijn de medeverdachte een bijdrage heeft geleverd aan de bedreiging. De bedreiging kan daardoor immers zijn versterkt. Ook de opmerking van [betrokkene 1], dat de medeverdachte degene was die hem later in de auto heeft meegenomen, kan een aanwijzing opleveren voor bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte. [3] Dat kan echter uitsluitend in de context van een nu juist niet voor het bewijs gebezigd deel van de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 juli 2013. Daaruit komt namelijk naar voren dat voornoemd ritje op instigatie van verdachte werd ondernomen met als doel [betrokkene 1] in Hoofddorp geld te laten halen.
9. Hoe het Hof deze aanknopingspunten in de bewijsmiddelen waardeert is een kwestie van feitelijk aard. Die waardering had dienen plaats te vinden in het kader van de bewijsvoering door het Hof. Voor een eigen waardering van deze kwestie is in cassatie uiteraard geen plaats. De motivering van het oordeel van het Hof dat de verdachte het bewezenverklaarde ‘tezamen en in vereniging met een ander’ heeft begaan, is zonder nadere toelichting die ontbreekt derhalve niet zonder meer begrijpelijk.
10. Voor zover de steller van het middel blijkens de toelichting nog betoogt dat uit de vrijspraak van verdachte ’s medeverdachte volgt dat in deze zaak niet meer tot een bewezenverklaring voor medeplegen van een misdrijf kan worden gekomen, getuigt dat oordeel van een verkeerde rechtsopvatting. [4]
11. Het
derde middelslaagt.
12. Bij deze stand van zaken zie ik thans geen aanleiding om de eerste twee middelen uitvoerig te bespreken en volsta met de opmerking dat het eerste middel inzake de redelijke inzendingstermijn slaagt en het tweede middel faalt, omdat ik in de pleitnota niet met zoveel woorden een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] lees. Indien de Hoge Raad daar aanleiding toe ziet ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Den Haag, opdat de zaak in hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5575, NJ 2012/265, rov. 3.4. en Aben voor HR 30 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL6723 (81RO).
2.De Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, p. 437.
3.Vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1755, NJ 2000/414, rov. 4.3.
4.Zie HR 2 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3838, NJ 2000/174 rov. 5.2. en HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246, NJ 2007/455, rov. 4.5.