Conclusie
middelwordt geklaagd over de bevestiging door het hof van de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van 9 december 2013 waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard ter zake van het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde, nadat het hof aanvankelijk op 13 september 2012 in het kader van een beklagprocedure ex art. 15 Sv Pro de vervolging van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte ] had bevolen. Waar het in de procedure om draait is of de daarop onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, ten aanzien waarvan het openbaar ministerie door het Gerecht in eerste aanleg op 9 december 2013 niet-ontvankelijk werd verklaard, binnen of buiten de grenzen van het bevel tot vervolging van het hof van 13 september 2012 vallen. De procedurele gang van zaken evenals de beslissing waarbij het openbaar ministerie niet ontvankelijk is verklaard, is weergegeven in het proces-verbaal van het Gerecht in eerste aanleg van de zitting van 9 december 2013 dat, voor zover van belang, het volgende inhoudt:
“Vonnis waarvan beroep
Nadere overwegingen betreffende de beslissing van het GEA
verplichtzou moeten worden om steeds in het bevel aan te geven welke daad van vervolging door de officier van justitie ware in te stellen. Ik vermag niet in te zien waarom een zodanige beperking van de beleidsvrijheid van het openbaar ministerie als vanzelf uit het systeem van de nieuwe beklagregeling voortvloeit. (…) In het wetsontwerp is daarom als een bevoegdheid geformuleerd, dat het hof een bijzondere last in zijn vervolgingsbevel kan opnemen (artikel 12k, derde lid).” [4]