ECLI:NL:HR:2010:BK4448
Hoge Raad
- Herziening
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens sepotmededeling geen grond voor niet-ontvankelijkheid
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Kinderrechter te Arnhem, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen. De aanvrager stelde dat de zaak geseponeerd was en dat dit, indien bekend geweest bij de rechter, tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie had moeten leiden.
De Hoge Raad onderzocht of de sepotmededeling een omstandigheid als bedoeld in art. 457 lid 1 sub Pro 2 Sv vormde die het onderzoek op de terechtzitting had kunnen beïnvloeden. Uit het dossier bleek dat het sepot was ingesteld wegens gebrek aan wettig bewijs, maar dat na een klacht van het slachtoffer alsnog werd besloten tot vervolging.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 255 lid 1 jo Pro. art. 12i Sv een verdachte alsnog kan worden vervolgd ondanks een eerdere kennisgeving van niet verdere vervolging, wanneer nieuwe bezwaren bekend worden of het hof oordeelt dat vervolging had moeten plaatsvinden. Dit vertrouwen op niet vervolging kan derhalve niet worden ontleend aan een sepotmededeling.
Daarom kan de sepotmededeling niet worden aangemerkt als een omstandigheid die herziening rechtvaardigt. Het verzoek tot herziening wordt ongegrond verklaard en afgewezen op grond van art. 468 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af omdat de sepotmededeling geen grond vormt voor niet-ontvankelijkheid.