De zaak betreft een verdachte die op 21 mei 2009 werd betrapt op het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard door het CBR. Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde hem tot een geldboete wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, stellende dat verdachte redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring. Deze was gebaseerd op het feit dat het besluit tot ongeldigverklaring aangetekend aan het juiste adres was verzonden en retour was gekomen met de mededeling 'niet afgehaald'.
De verdediging voerde in cassatie aan dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat het besluit aangetekend was verzonden en retour kwam, niet voldoende is om aan te nemen dat verdachte redelijkerwijs van de ongeldigverklaring op de hoogte was. Het hof had geen andere motieven gegeven voor de bewezenverklaring dan deze omstandigheid, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug. De conclusie van de procureur-generaal onderstreepte dat zonder nadere bewijsstukken, zoals poststukken of ontvangstbevestigingen, niet kan worden aangenomen dat verdachte kennis had van de ongeldigverklaring. Hiermee wordt bevestigd dat kennis van een ongeldigverklaring niet zomaar kan worden aangenomen op basis van retour gekomen aangetekende post.