ECLI:NL:PHR:2015:1803

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2015
Publicatiedatum
15 september 2015
Zaaknummer
14/02716
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 132 WVW 1994Art. 122 lid 2 Reglement rijbewijzen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens onvoldoende bewijs kennis ongeldigverklaring rijbewijs

De zaak betreft een verdachte die op 21 mei 2009 werd betrapt op het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard door het CBR. Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde hem tot een geldboete wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, stellende dat verdachte redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring. Deze was gebaseerd op het feit dat het besluit tot ongeldigverklaring aangetekend aan het juiste adres was verzonden en retour was gekomen met de mededeling 'niet afgehaald'.

De verdediging voerde in cassatie aan dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat het besluit aangetekend was verzonden en retour kwam, niet voldoende is om aan te nemen dat verdachte redelijkerwijs van de ongeldigverklaring op de hoogte was. Het hof had geen andere motieven gegeven voor de bewezenverklaring dan deze omstandigheid, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug. De conclusie van de procureur-generaal onderstreepte dat zonder nadere bewijsstukken, zoals poststukken of ontvangstbevestigingen, niet kan worden aangenomen dat verdachte kennis had van de ongeldigverklaring. Hiermee wordt bevestigd dat kennis van een ongeldigverklaring niet zomaar kan worden aangenomen op basis van retour gekomen aangetekende post.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Conclusie

Nr. 14/02716
Zitting: 16 juni 2015
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 19 december 2013 de verdachte ter zake van
“overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”veroordeeld tot een geldboete van duizend euro, bij gebreke van verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis.
2. Namens de verdachte heeft mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3. Het
middelbeoogt kennelijk te klagen dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 21 mei 2009 te Duiven terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor alle categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A 12, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorieën heeft bestuurd.”
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“a. Een (als bijlage bij het hiervoor onder 1 genoemde proces-verbaal gevoegd) proces-verbaal (p. 2-3), van de politie Arnhem, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent, politie Wolfheze en [verbalisant 2] , hoofdagent, politie Wolfheze, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Feit
Ik, [verbalisant 1] , zag/constateerde, dat een persoon een feit pleegde dat is gecodeerd als feitnummer G325 en dat als volgt is omschreven in de tekstenbundel van de Commissie Feiten en Tarieven van het Ministerie van Justitie:
als degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn/haar naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur besturen of doen besturen
Artikel
9 lid 2 WVW 1994
Overtredingsgegevens
Datum : 21-05-2009
Omstreeks : 13:03 uur
Plaats : Duiven
Gemeente : Duiven
Locatie : De Rijksweg A12
Voertuig : Personenauto
Kenteken : [AA-00-BB]
Land : Nederland
Bij informatie bleek dat het rijbewijs van verdachte voor het besturen van genoemd motorrijtuig door het CBR Divisie Vorderingen ongeldig was verklaard.
Ingangsdatum: 01-12-2008
Ongeldig verklaarde categorie(en): B
Personalia verdachte
Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, [verbalisant 1] , de volgende personalia:
Achternaam : [achternaam verdachte]
Voornamen : [voornamen verdachte]
Geboren : [geboortedatum] -1972
Geboortegemeente : [geboorteplaats] in Nederland
Personalia conform : Paspoort
b. Een (hierboven onder 3 genoemd) uitdraai CBR vorderingsprocedures:
Naam : [verdachte]
Voornaam : [voornamen verdachte]
Geboortedatum : [geboortedatum] -1972
Gevorderde inleveringsdat : 01-12-2008
c. Een (hierboven onder 4 genoemd) besluit van het CBR tot ongeldig verklaren van het rijbewijs d.d. 24 november 2008:
"Het CBR,
neemt dit besluit, aangezien [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 (betrokkene) onvoldoende medewerking heeft verleent aan het onderzoek.
Totstandkoming besluit
Uit artikel 132 Wegenverkeerswet Pro 1994 (WVW94) volgt dat degene die een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid opgelegd heeft gekregen verplicht is de daartoe vereiste medewerking te verlenen.
Voorts volgt uit artikel 132 WVW94 dat bij het ontbreken van de vereiste medewerking direct wordt besloten tot ongeldigverklaring van het rijbewijs voor alle categorieën.
Op grond van artikel 122, tweede lid Reglement rijbewijzen worden, als betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek opnieuw vastgesteld wanneer er sprake is van een geldige reden van verhindering.
Bij aangetekend en onaangetekend besluit van 27 maart 2008 heeft het CBR betrokkene een onderzoek opgelegd. In het besluit stond vermeld dat het CBR het rijbewijs van betrokkene ongeldig zou verklaren wanneer hij niet meewerkt. Ook stond vermeld dat betrokkene tijdig en schriftelijk moet melden wanneer hij tijdens de vorderingsprocedure verhuist of elders verblijft. Zowel de aangetekende als de onaangetekende brief is niet retour gekomen.
Bij aangetekende brief is betrokkene opgeroepen voor het onderzoek dat zou plaatsvinden op 14 november 2008. De brief is retour gekomen met de mededeling "niet afgehaald".
Naar aanleiding van bovenstaande heeft het CBR een adres check gedaan bij de Gemeentelijke Basis Administratie. Hieruit is gebleken dat betrokkene staat ingeschreven op het aangeschreven adres.
Betrokkene heeft geen schriftelijke adreswijziging aan het CBR doorgegeven en is zonder tegenbericht niet op het onderzoek verschenen. Nadien is niet gebleken van een geldige reden van verhindering.
Besluit
I. Betrokkene heeft niet de vereiste medewerking aan het onderzoek verleend en is niet gebleken van een geldige reden van verhindering.
II. Het rijbewijs van betrokkene wordt voor alle categorieën ongeldig verklaard.
De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die van de dagtekening van dit besluit."
d. Een (hierboven onder 2 genoemd) proces-verbaal verzoek OM voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:
Bevindingen
Ik kan u vertellen dat wij het kenteken [AA-00-BB] ter controle op de naleving van de regels en bepalingen zoals gesteld in het RVV 1990 bij de meldkamer lieten controleren. Hieruit kwam naar voren dat het voertuig ter naam gesteld was op [verdachte] . Tevens werd door de meldkamer nagekeken of de eigenaar/houder in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs. Daaruit kwam dat het rijbewijs van de eigenaar/houder ongeldig was verklaard. Hierop werd de bestuurder staande gehouden. Bij staande houding bleek dat de bestuurder tevens de eigenaar van het voertuig was.”
6. Voorts heeft het hof - voor zover hier van belang - onder het kopje ‘Bewijsoverweging’ het volgende overwogen:
“De raadsman heeft vrijspraak bepleit in verband met het feit dat verdachte niet wist en niet behoorde te weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Het hof is van oordeel dat het feit ondanks dit verweer wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Verdachte moest redelijkerwijs weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, gelet op het feit dat de brief van het CBR, ook blijkens de ter zitting overgelegde ID-staat SKDB, aan het juiste adres van verdachte is verzonden.
(…)”
7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Een blik over de papieren muur, en dan met name op een brief van 7 juli 2009, afkomstig van het CBR en gericht aan de KLPD [1] , wijst uit dat het besluit van 24 november 2008 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aangetekend is verzonden aan het toenmaals bekende (en juiste [2] ) adres van de verdachte. Vervolgens is de aangetekende brief retour gekomen met de mededeling “niet afgehaald”.
8. Naar het oordeel van Uw Raad is de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief aan hem is verzonden en retour is gekomen met de mededeling dat de brief niet is afgehaald, op zichzelf niet voldoende om daaruit te kunnen afleiden dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard [3]
9. Nu het hof aan de bewezenverklaring geen andere (nadere) motivering ten grondslag heeft gelegd dan die hierboven onder 6 weergegeven, moet volgen dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
10. In zoverre slaagt het middel.
11. Voor het overige bevat het middel mijns inziens deelklachten die niet voor het eerst in cassatie kunnen worden aangevoerd. Het middel behoeft op die punten dan ook geen bespreking.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Brief van 7 juli 2009, gericht aan de KLPD, t.a.v. [verbalisant 1] , (…) Wolfheze, en ondertekend door:
2.Dit blijkt uit controle van de VIP-gegevens die deel uitmaken van de dagvaardingen bij de feitelijke instanties, alsmede uit de SKDB-staat die zich bevindt bij de aanzegging in cassatie.
3.Vgl. onder meer HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8246,