Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof heeft nagelaten de inleidende dagvaarding nietig te verklaren. Het oordeel van het hof, dat in het arrest besloten ligt, dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk omdat niet blijkt dat is geprobeerd de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen voor de terechtzitting van de rechtbank van 15 juni 2010 uit te reiken aan “
een uit de stukken van het geding blijkend – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- en verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden”. Gewezen wordt op het door de verdachte bij zijn verhoor door de politie opgegeven adres.
[adres]”.
nu niet blijkt dat deze wijziging door verzoeker zelf is opgegeven aan de gemeente”. De vermelding dat de verdachte is vertrokken “
land onbekend” doet vermoeden dat de wijziging niet door de verzoeker zelf is opgegeven, aldus de toelichting, omdat het dan in de rede had gelegen dat dan ook nieuwe adres- dan wel emigratiegegevens zouden zijn vermeld. Op basis van de stukken, kom ik tot een ander oordeel.
[adres]” en vermeldt daarnaast met ingang van 11 februari 2010 als adres “
onbekend” en als land “
land onbekend”. Hieruit heeft het hof kennelijk opgemaakt - en mogen opmaken - dat het adres dat de verdachte op 5 november 2008 heeft opgegeven tijdens het politieverhoor, ten tijde van de betekening van deze inleidende dagvaarding inmiddels achterhaald is. Hier komt nog het volgende bij.
[adres]”. Dit is het adres dat de verdachte op 5 november 2008 bij de politie heeft opgegeven. De akte van uitreiking vermeldt dat de brief niet is uitgereikt omdat “
volgens mededeling van degene die zich op het door mij ingevulde adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft”. Ook om deze reden heeft het hof mogen aannemen dat het door de verdachte bij de politie opgegeven adres op 3 mei 2010 achterhaald was en de inleidende dagvaarding geldig is betekend. [1]
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, omdat de verdachte gelet op de appelschriftuur ‘anders’ heeft verklaard en dus niet als bekennende verdachte kan worden aangemerkt als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en de verdediging ter zake geen vrijspraak heeft bepleit”.
aan degene die het aangaat” met als onderwerp “
instellen hoger beroep” heeft de verdachte aangegeven hoger beroep te willen instellen. In deze brief voert de verdachte enkele bezwaren aan tegen het vonnis van de rechtbank:
Aangezien ik het met de uitspraak totaal niet eens ben en ik ook niet aanwezig was bij de zitting wens ik wel een hoger beroep in te stellen.
anders heeft verklaard” als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De verdachte is in zijn brief van 5 oktober 2010 niet met zoveel woorden op zijn bekennende verklaringen teruggekomen en heeft daarin slechts algemene bezwaren geuit tegen het vonnis van de rechtbank door te schrijven dat “
bepaalde dingen in deze zaak […] niet helemaal kloppen”. Hieruit kan niet volgen dat de verdachte “
anders heeft verklaard” of dat hij het er bijvoorbeeld niet mee eens is dat de rechtbank hem als bekennende verdachte heeft aangemerkt. Noch wijst deze mededeling uit dat de bewezenverklaring “
een omstreden punt” is, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd.
het strafbare van zijn handelen kennelijk niet inziet”. Mede in dit licht heeft het hof kennelijk de bezwaren van de verdachte opgevat als algemene bezwaren tegen het vonnis in z’n geheel (“
totaal niet eens”) en niet dat hij daarmee “
anders heeft verklaard”.
derde middelklaagt dat inbreuk is gemaakt op de redelijke termijn omdat bij het betekenen van de verstekmededeling van het arrest van het hof onvoldoende voortvarendheid is betracht.
postadres”, te weten “
[adres]”. Dit adres is in het arrest van het hof opgenomen als “
adres appelschriftuur”. Uit de ID-staat SKDB gedateerd 7 juli 2014, die kennelijk is opgemaakt in het kader van de betekening van de aanzegging in cassatie, blijkt dat dit een van de historische GBA-adressen van de verdachte is, onder meer vanaf 17 augustus 2005 tot 8 februari 2006. Het kan echter niet als achterhaald adres worden aangemerkt omdat de verdachte nadien een ander GBA-adres heeft laten registreren en de verdachte het toch als postadres heeft opgegeven nadat hij zich met ingang van 11 februari 2010 uit de GBA had laten uitschrijven. Ik doel daarbij op de brief gedateerd 5 oktober 2010 waarmee de verdachte hoger beroep heeft doen instellen, die blijkens een daarop geplaatst stempel bij de griffie van de rechtbank te Rotterdam ingekomen op 8 oktober 2010. De mededeling uitspraak is dus op 15 december 2011 niet rechtsgeldig geschied omdat toen niet had mogen worden aangenomen dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Uit de stukken blijkt dat de mededeling uitspraak pas op 18 maart 2014 rechtsgeldig, namelijk in persoon, aan de verdachte betekend. Een en ander is in strijd met het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.