ECLI:NL:PHR:2015:1814

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2015
Publicatiedatum
15 september 2015
Zaaknummer
14/03328
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 SvArt. 359 lid 3 SvArt. 366 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens schending redelijke termijn bij betekening verstekmededeling

De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens het maken en verspreiden van seksuele afbeeldingen van minderjarigen. De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad beoordeelde drie middelen van cassatie. Het eerste middel betrof de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding, waarbij het hof oordeelde dat het opgegeven adres van de verdachte achterhaald was en de dagvaarding daarom rechtsgeldig aan de griffier was betekend. Dit oordeel werd niet onbegrijpelijk geacht. Het tweede middel betrof de vraag of de verdachte als bekennende verdachte kon worden aangemerkt; het hof had dit terecht aangenomen omdat de verdachte niet ondubbelzinnig had teruggekomen op zijn bekennende verklaringen.

Het derde middel betrof de schending van het recht op een redelijke termijn, omdat de verstekmededeling niet binnen een jaar na het arrest van het hof rechtsgeldig was betekend en het Openbaar Ministerie niet had aangetoond dat zij jaarlijks had geprobeerd de mededeling alsnog te betekenen. De Hoge Raad oordeelde dat de mededeling op 15 december 2011 niet rechtsgeldig was betekend omdat toen niet mocht worden aangenomen dat de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland had. De mededeling werd pas op 18 maart 2014 rechtsgeldig betekend. Dit was in strijd met het in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een redelijke termijn. Daarom werd het arrest vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en werd de straf verminderd. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de straf wordt verminderd wegens schending van het recht op een redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 14/03328
Zitting: 16 juni 2015
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te ‘-s Gravenhage heeft bij arrest van 31 oktober 2011 de verdachte ter zake van
“een gewoonte maken van
– een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en in bezit hebben en
– een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,
in bezit hebben”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Tevens heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van in beslag genomen voorwerpen.
2. Door de verdachte is cassatie ingesteld. Namens deze heeft mr. C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te Den Haag, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
3. Het
eerste middelklaagt dat het hof heeft nagelaten de inleidende dagvaarding nietig te verklaren. Het oordeel van het hof, dat in het arrest besloten ligt, dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk omdat niet blijkt dat is geprobeerd de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen voor de terechtzitting van de rechtbank van 15 juni 2010 uit te reiken aan “
een uit de stukken van het geding blijkend – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- en verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden”. Gewezen wordt op het door de verdachte bij zijn verhoor door de politie opgegeven adres.
4. Uit de stukken die overeenkomstig het bepaalde in art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, blijkt dat de verdachte tijdens zijn (eerste) verhoor door de politie op 5 november 2008 als adres heeft opgegeven “
[adres]”.
5. Een afschrift van de inleidende dagvaarding voor de terechtzitting van de rechtbank te Rotterdam van 15 juni 2010 is blijkens een akte van uitreiking, die zich eveneens bij de stukken bevindt, op 3 mei 2010 uitgereikt aan de griffier van die rechtbank omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het bij de politie opgegeven adres niet als achterhaald had mogen worden beschouwd “
nu niet blijkt dat deze wijziging door verzoeker zelf is opgegeven aan de gemeente”. De vermelding dat de verdachte is vertrokken “
land onbekend” doet vermoeden dat de wijziging niet door de verzoeker zelf is opgegeven, aldus de toelichting, omdat het dan in de rede had gelegen dat dan ook nieuwe adres- dan wel emigratiegegevens zouden zijn vermeld. Op basis van de stukken, kom ik tot een ander oordeel.
7. Een ID-staat SKDB gedateerd 11 augustus 2011, die zich eveneens bij de stukken bevindt en is gehecht aan de akte van uitreiking van de appeldagvaarding, vermeldt onder de historische GBA-adressen als adres van de verdachte met ingang van 8 februari 2006 “
[adres]” en vermeldt daarnaast met ingang van 11 februari 2010 als adres “
onbekend” en als land “
land onbekend”. Hieruit heeft het hof kennelijk opgemaakt - en mogen opmaken - dat het adres dat de verdachte op 5 november 2008 heeft opgegeven tijdens het politieverhoor, ten tijde van de betekening van deze inleidende dagvaarding inmiddels achterhaald is. Hier komt nog het volgende bij.
8. Bij de stukken bevindt zich een akte van uitreiking voor een dagvaarding van de verdachte om in de onderhavige zaak te verschijnen op een eerdere terechtzitting van de rechtbank te Rotterdam, en wel op 18 januari 2010. Uit de akte blijkt dat op 4 januari 2010 is geprobeerd de dagvaarding uit te reiken aan het adres “
[adres]”. Dit is het adres dat de verdachte op 5 november 2008 bij de politie heeft opgegeven. De akte van uitreiking vermeldt dat de brief niet is uitgereikt omdat “
volgens mededeling van degene die zich op het door mij ingevulde adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft”. Ook om deze reden heeft het hof mogen aannemen dat het door de verdachte bij de politie opgegeven adres op 3 mei 2010 achterhaald was en de inleidende dagvaarding geldig is betekend. [1]
9. Het in het middel aangevoerde argument kan mij niet overtuigen al was het maar omdat het speculatief is en niet wordt aangevoerd dat de verdachte zich niet zelf heeft laten uitschrijven, laat staan dat de gegevens zoals die geregistreerd zijn onjuist zijn. De vergeefse poging om de inleidende dagvaarding uit te reiken op het door de verdachte bij de politie opgegeven adres, bevestigt dat dit adres wel degelijk achterhaald was.
10. Het middel faalt.
11. Het
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, omdat de verdachte gelet op de appelschriftuur ‘anders’ heeft verklaard en dus niet als bekennende verdachte kan worden aangemerkt als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
12. Het hof heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen volstaan en daarbij overwogen “
dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en de verdediging ter zake geen vrijspraak heeft bepleit”.
13. In een brief gedateerd 5 oktober 2010 “
aan degene die het aangaat” met als onderwerp “
instellen hoger beroep” heeft de verdachte aangegeven hoger beroep te willen instellen. In deze brief voert de verdachte enkele bezwaren aan tegen het vonnis van de rechtbank:

Aangezien ik het met de uitspraak totaal niet eens ben en ik ook niet aanwezig was bij de zitting wens ik wel een hoger beroep in te stellen.
[…]
Omdat bepaalde dingen in deze zaak, volgens mij niet helemaal kloppen wil ik hier toch wel verder onderzoek naar door de rechtbank.
14. In de overweging van het hof ligt besloten dat de verdachte, na de verklaringen waarnaar het hof in zijn arrest verwijst en die het hof als bekennende verklaringen heeft aangemerkt, niet “
anders heeft verklaard” als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De verdachte is in zijn brief van 5 oktober 2010 niet met zoveel woorden op zijn bekennende verklaringen teruggekomen en heeft daarin slechts algemene bezwaren geuit tegen het vonnis van de rechtbank door te schrijven dat “
bepaalde dingen in deze zaak […] niet helemaal kloppen”. Hieruit kan niet volgen dat de verdachte “
anders heeft verklaard” of dat hij het er bijvoorbeeld niet mee eens is dat de rechtbank hem als bekennende verdachte heeft aangemerkt. Noch wijst deze mededeling uit dat de bewezenverklaring “
een omstreden punt” is, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd.
15. Hierbij heb ik tevens in aanmerking genomen dat het hof bij het motiveren van de op te leggen straf heeft overwogen dat de verdachte “
het strafbare van zijn handelen kennelijk niet inziet”. Mede in dit licht heeft het hof kennelijk de bezwaren van de verdachte opgevat als algemene bezwaren tegen het vonnis in z’n geheel (“
totaal niet eens”) en niet dat hij daarmee “
anders heeft verklaard”.
16. Het middel faalt.
17. Het
derde middelklaagt dat inbreuk is gemaakt op de redelijke termijn omdat bij het betekenen van de verstekmededeling van het arrest van het hof onvoldoende voortvarendheid is betracht.
18. Uit een aan de mededeling uitspraak gehechte akte van uitreiking, die zich beide bij de stukken bevinden, blijkt dat de mededeling uitspraak op 15 december 2011 is uitgereikt aan de griffier omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Op dezelfde dag is de verdachte opgenomen in het opsporingsregister. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de mededeling is betekend overeenkomstig art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv.
19. In cassatie wordt terecht geklaagd dat niet kan blijken dat het openbaar ministerie sinds 15 december 2011 ten minste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen, hetzij in persoon, hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. [2] Hieruit zou kunnen volgen dat de redelijke termijn is overschrijden, ware het niet dat de verdachte al die tijd niet stond ingeschreven in de GBA. In zoverre heeft de verdachte het aan zichzelf te wijten dat de verstekmededeling hem niet in persoon heeft bereikt of op de wijze zoals is voorgeschreven in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In zo een geval heeft het weinig zin om van het openbaar ministerie jaarlijks te verwachten de verstekmededeling aan de griffier te betekenen zoals is voorgeschreven in art. 588, eerste lid, onder b sub 3°, Sv. Dat zou een betekenisloze formaliteit zijn. Toch meen ik dat het middel op zichzelf gegrond is.
20. Naar aanleiding van het middel merk ik ambtshalve op dat uit de stukken niet kan blijken dat op 15 december 2011 geprobeerd is de mededeling uitspraak uit te reiken aan het adres dat de verdachte bij het instellen van hoger beroep had opgegeven als “
postadres”, te weten “
[adres]”. Dit adres is in het arrest van het hof opgenomen als “
adres appelschriftuur”. Uit de ID-staat SKDB gedateerd 7 juli 2014, die kennelijk is opgemaakt in het kader van de betekening van de aanzegging in cassatie, blijkt dat dit een van de historische GBA-adressen van de verdachte is, onder meer vanaf 17 augustus 2005 tot 8 februari 2006. Het kan echter niet als achterhaald adres worden aangemerkt omdat de verdachte nadien een ander GBA-adres heeft laten registreren en de verdachte het toch als postadres heeft opgegeven nadat hij zich met ingang van 11 februari 2010 uit de GBA had laten uitschrijven. Ik doel daarbij op de brief gedateerd 5 oktober 2010 waarmee de verdachte hoger beroep heeft doen instellen, die blijkens een daarop geplaatst stempel bij de griffie van de rechtbank te Rotterdam ingekomen op 8 oktober 2010. De mededeling uitspraak is dus op 15 december 2011 niet rechtsgeldig geschied omdat toen niet had mogen worden aangenomen dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Uit de stukken blijkt dat de mededeling uitspraak pas op 18 maart 2014 rechtsgeldig, namelijk in persoon, aan de verdachte betekend. Een en ander is in strijd met het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
21. Samenvattend komt de betekening van de verstekmededeling op het volgende neer. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend terwijl evenmin kan blijken dat het openbaar ministerie ten minste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.
22. Naast wat ik onder 20 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van die straf wegens inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,