Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof niet de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal dat de verbalisanten op grond van de Opiumwet bevoegd waren een onderzoek in stellen in de auto van de verdachte. Ten tweede komt het middel blijkens de toelichting op tegen het (impliciete) oordeel van het hof dat onvoldoende verdenking bestond ter zake van overtreding van de Opiumwet voor het instellen van een onderzoek in de auto van de verdachte.
“Ontvankelijkheid openbaar ministerie
Détournement de pouvoir
uitsluitendhebben doen stilhouden met het oog op de opsporing van Opiumwetdelicten. Het hof oordeelde (dus) dat de verbalisanten de vordering tot stilhouden niet - mede - hebben gedaan om zich te vergewissen van de naleving van de voorschriften als bedoeld in art. 160, vierde lid, WVW 1994. [1]
tweede middelklaagt over de ontoereikende motivering van het oordeel dat het geconstateerde vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting van hetgeen bij het onderzoek aan de auto is aangetroffen.
ongeachteen (eventuele) zelfstandige wettelijke grondslag voor dat onderzoek.
verzoektot stilhouden. [5] Datzelfde geldt voor een stopteken, strekkende tot staandehouding op de voet van art. 52 Sv Pro. [6] Bovendien had de advocaat-generaal het hof uitdrukkelijk en onderbouwd kunnen wijzen op de bepaling van art. 96b, tweede lid, onder a, Sv, die de opsporingsambtenaar bij een verdenking van opzettelijk vervoeren van hennep de bevoegdheid toekent de bestuurder van het betreffende voertuig te vorderen zijn voertuig tot stilstand te brengen en dit voertuig vervolgens te onderwerpen aan een ‘doorzoeking’. Dergelijke alternatieve wettelijke grondslagen voor het gegeven stopteken kunnen de causale keten tussen het (eventuele) verzuim en de vruchten ervan gemakkelijk doorbreken. [7]