ECLI:NL:PHR:2015:187

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2015
Publicatiedatum
16 maart 2015
Zaaknummer
14/02561
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 lid 1 RvArt. 140 lid 3 RvArt. 339 lid 1 RvArt. 6 EVRMArt. 111 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over ontvankelijkheid hoger beroep na verstekvonnis op tegenspraak en termijnoverschrijding

In deze zaak stond de vraag centraal of eiser, die bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat als op tegenspraak wordt beschouwd, en pas na het verstrijken van de beroepstermijn kennis kreeg van het vonnis, terecht niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep. De rechtbank Almelo had eiser veroordeeld tot betaling van € 100.000,-, waarna eiser pas jaren later hoger beroep instelde, ruim na het verstrijken van de wettelijke termijn.

Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde eiser niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep te laat was ingesteld. De Hoge Raad oordeelde echter dat in gevallen waarin de veroordeelde pas na het verstrijken van de beroepstermijn met het vonnis bekend raakt, het hoger beroep binnen veertien dagen na die kennisname alsnog ontvankelijk kan zijn. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie waarin een uitzondering op de strikte termijnhandhaving werd geaccepteerd.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof onvoldoende feiten had vastgesteld over de kennisname van het vonnis door eiser en hem ook niet in de gelegenheid had gesteld zich hierover uit te laten. Daarom kon het arrest van het hof niet in stand blijven. De zaak werd vernietigd en terugverwezen voor verdere behandeling, waarbij de ontvankelijkheid van het hoger beroep opnieuw moet worden beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden rondom de kennisname van het vonnis.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige feitenvaststelling en het respecteren van het beginsel van hoor en wederhoor bij de beoordeling van ontvankelijkheid in hoger beroep na verstekvonnissen op tegenspraak.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Conclusie

Zaaknr. 14/02561
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 6 maart 2015 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
[verweerder]
In deze zaak is de vraag aan de orde of eiser tot cassatie, die bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat wordt beschouwd als op tegenspraak te zijn gewezen en daarvan pas na het verstrijken van de appeltermijn in hoger beroep is gekomen, terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep.
1. Procesverloop [1]
1.1 Verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) heeft eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) tezamen met twee anderen gedagvaard voor de rechtbank Almelo. De twee andere gedaagden zijn in die procedure verschenen en hebben verweer gevoerd. [eiser] is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.
1.2 De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 17 oktober 2007 in conventie een zestal beslissingen genomen, waaronder de, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, veroordeling van [eiser] tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 100.000,-.
1.3 [eiser] heeft [verweerder] bij exploot van 19 juni 2013 aangezegd van dit eindvonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [verweerder] voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, tegen de roldatum van 17 december 2013.
1.4 [eiser] heeft de zaak op de rol van 17 december 2013 aangebracht. [verweerder] is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.
1.5 Het hof heeft vervolgens arrest bepaald op het griffiedossier, ter beoordeling van de ontvankelijkheid van [eiser] in het hoger beroep. Op de rol van 14 januari 2014 heeft [verweerder] het tegen hem verleende verstek gezuiverd. Vervolgens heeft het hof opnieuw arrest bepaald op het griffiedossier.
1.6 Het hof heeft [eiser] bij arrest van 28 januari 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
1.7 [eiser] heeft tegen dit arrest tijdig [2] cassatieberoep ingesteld.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
[eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht [3] .

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel, dat onder 1.1-1.6 een omschrijving van de kern van de zaak en het procesverloop bevat, bestaat uit vier onderdelen (2.1-2.4). Deze zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.3-3.5 en de beslissing onder 4 om [eiser] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. In genoemde rechtsoverwegingen heeft het hof als volgt geoordeeld:
“3.3 De termijn van hoger beroep bedraagt ingevolge artikel 339 lid 1 Rv Pro drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis. Dit betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 17 oktober 2007 voor [eiser] op 17 januari 2008 is verstreken. [eiser] kan dan ook niet in zijn eerst bij dagvaarding van 19 juni 2013 ingestelde hoger beroep worden ontvangen.
3.4
Het is het hof ambtshalve bekend dat tegen het bestreden vonnis van 17 oktober 2007 bij exploot van 10 januari 2008 hoger beroep is ingesteld door [verweerder]. In die procedure (bekend onder nummer 200.005.109) is [eiser], evenals de andere geïntimeerden, niet verschenen en daarin is op 18 december 2012 eindarrest gewezen. Voor zover [eiser] bedoeld mocht hebben tegen dat verstekarrest in verzet te komen, kan hem dat niet baten. Het exploot van 19 juni 2013 kan niet anders worden uitgelegd dan als een appeldagvaarding waarmee hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 17 oktober 2007. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van conversie van het rechtsmiddel hoger beroep in het rechtsmiddel verzet.
3.5.
De slotsom is dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep en dat hij als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van het hoger beroep dient te dragen.”
2.2
De onderdelen 1, 2 en 4 klagen – samengevat en zakelijk weergegeven – dat een appellant die (i) bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat wordt beschouwd op tegenspraak te zijn gewezen, (ii) pas na het verstrijken van de appeltermijn van dat vonnis op de hoogte is geraakt, en (iii) vervolgens binnen veertien dagen na kennisname van dat vonnis appel instelt, in aanmerking behoort te komen voor een verschoonbare termijnoverschrijding en in ieder geval in de gelegenheid behoort te worden gesteld om een beroep daarop te doen. Nu het hof arrest heeft gewezen op de lege appeldagvaarding en [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld om een memorie van grieven te nemen of anderszins uit de doeken te doen waarom de uitzondering van verschoonbare termijnoverschrijding in zijn geval van toepassing was, heeft het hof, aldus nog steeds de onderdelen, art. 6 EVRM Pro geschonden, alsmede het beginsel van hoor en wederhoor en de goede procesorde, althans zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd.
2.3
De Hoge Raad heeft op 3 oktober 2014 [4] uitspraak gedaan in een geval dat gelijkenis vertoont met het onderhavige geval. De Hoge Raad overwoog:
“3.4.1 Als een eiser meer dan één gedaagde heeft gedagvaard en ten minste één van de gedaagden in het geding verschijnt, wordt tegen de niet verschenen gedaagden verstek verleend en wordt voortgeprocedeerd (art. 140 lid 1 Rv Pro). Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (art. 140 lid 3 Rv Pro). In de dagvaarding moet hierop worden gewezen (art. 111 lid Pro 2, aanhef en onder j, Rv).
Deze regeling strekt ertoe dat in alle gevallen waarin een vordering tegen meer gedaagden wordt ingesteld, tussen de eiser(s) en de gedaagden geen tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van een zelfde rechtsbetrekking worden gewezen (vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911, NJ 2000/290).
3.4.2
De gedaagde die bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat volgens art. 140 lid 3 Rv Pro een vonnis op tegenspraak is, heeft slechts het rechtsmiddel van hoger beroep. Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, zoals hier die van art. 339 Rv Pro, zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddelentermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering (vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131).
3.4.3
De toepassing van de art. 140 en Pro 339 Rv in een concreet geval mag niet tot gevolg hebben dat het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast (vgl. voor de regeling van de verzettermijnen: HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629). Daarom is overschrijding van de appeltermijn niet zonder meer fataal in een geval als het onderhavige, waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend, en (zoals hier in cassatie uitgangspunt is, zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.23) het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn. Niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding moet dan achterwege blijven indien de veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – en vangt aan op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt.
3.4.4
Het vonnis is op 21 maart 2011 aan [betrokkene] in persoon betekend. Hij heeft op 18 april 2011 het appelexploot doen uitbrengen. De zojuist bedoelde termijn van veertien dagen is dus overschreden. Aangezien evenwel eerst door het onderhavige arrest duidelijk wordt welke weg moet worden gevolgd in een geval als het onderhavige, behoort in dit geval te worden geoordeeld dat het hoger beroep aldus tijdig is ingesteld.”
2.4
Met dit arrest heeft de Hoge Raad aanvaard dat een uitzondering kan worden aangenomen op de regel dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden in gevallen waarin een uitspraak is gewezen dat overeenkomstig art. 140 lid 3 Rv Pro als vonnis op tegenspraak moet worden beschouwd, de niet verschenen gedaagde pas na het verstrijken van de beroepstermijn op de hoogte raakt van de (inhoud van de) uitspraak en hij hoger beroep instelt binnen veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt.
2.5
De appeltermijn is in het onderhavige geval aangevangen op 18 oktober 2007, de dag nadat het eindvonnis is gewezen, en verstreek derhalve op 17 januari 2007. De appeldagvaarding is pas op 19 juni 2013 (bijna vijf en een half jaar later) uitgebracht, zodat dit in beginsel tot niet-ontvankelijkverklaring leidt.
Het cassatiemiddel voert ter rechtvaardiging van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding (onder meer) de volgende omstandigheden aan [5] :
(i) De inleidende dagvaarding is niet (rechtsgeldig) aan [eiser] betekend en hij heeft deze in elk geval destijds niet ontvangen.
(ii) [eiser] is niet bekend met het vonnis van 17 oktober 2007 en evenmin op de hoogte van de (inhoud van de) appelprocedure.
(iii) [eiser] is van 1 november 2006 tot eind 2012 failliet geweest en hoewel [verweerder] een – door [eiser] betwiste – vordering ter verificatie bij de curator heeft ingediend, heeft [verweerder] in dat verband geen beroep gedaan op het vonnis van 17 oktober 2007 en ook tijdens de verificatievergadering van 13 november 2008 is een (appel)procedure niet aan de orde geweest.
(iv) [eiser] is op 17 juni 2013 telefonisch via de Sociale verzekeringsbank op de hoogte geraakt van het feit dat een deurwaarder namens [verweerder] beslag had gelegd op zijn AOW uitkering.
(v) Op 18 juni 2013 heeft de door [eiser] daarop ingeschakelde advocaat van de deurwaarder een afschrift van het aan dat beslag ten grondslag liggende vonnis van 17 oktober 2007 verkregen.
(vi) Op 19 juni 2013 heeft de advocaat van [eiser] een appeldagvaarding doen uitgaan tegen 17 december 2013, tegen welke datum de zaak ook is aangebracht.
2.6
Ervan uitgaande dat het vonnis van 17 oktober 2007 nimmer in persoon aan [eiser] is betekend en het vonnis op 18 juni 2013 [6] aan hem bekend is geworden, leiden de onder 2.5 genoemde omstandigheden, indien juist, er m.i. toe dat [eiser] ontvankelijk is in zijn hoger beroep nu het is ingesteld binnen veertien dagen nadat hij met het vonnis van 17 oktober 2007 bekend is geraakt [7] . Het hof heeft over deze omstandigheden evenwel niets vastgesteld en – anders dan in het geval dat aan de orde was in het arrest van 3 oktober 2014 – partijen ook niet in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
De onderdelen zijn derhalve in zoverre terecht voorgesteld.
2.7
Het bestreden arrest kan mitsdien niet in stand blijven. Aangezien het hof zich inhoudelijk nog niet over de zaak heeft uitgelaten, kan terugwijzing plaatsvinden.
2.8
Onderdeel 3dat klaagt dat het hof buiten het partijdebat is getreden door in rechtsoverweging 3.4 een ambtshalve aan hem bekend feit aan het niet-ontvankelijkheidsoordeel ten grondslag te leggen, waarmee die beslissing tevens een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is, behoeft gezien het voorgaande geen bespreking.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 28 januari 2014 en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het in cassatie bestreden arrest, rov. 2.1-2.3. Het hof heeft geen feiten vastgesteld.
2.De cassatiedagvaarding is op 28 april 2014 uitgebracht.
3.Het overgelegde procesdossier bevat uitsluitend het eindvonnis van de rechtbank, de appeldagvaarding, het bestreden arrest en de processtukken in cassatie. Uit rov. 1 van het in cassatie bestreden arrest blijkt dat de rechtbank Almelo op 18 april 2007 en 11 juli 2007 een tussenvonnis heeft gewezen. Deze ontbreken in het overgelegde procesdossier.
4.ECLI:NL:HR:2014:2894, RvdW 2014/1096.
5.Cassatiedagvaarding onder 1.1-1.4 en voetnoot 5, en de s.t. van mr. Alt, nr. 2.1-2.8.
6.Gesteld wordt dat de advocaat van [eiser] op 18 juni 2013 de beschikking heeft gekregen over een afschrift van het vonnis. Het cassatiemiddel vermeldt niet expliciet op welk tijdstip [eiser] zelf kennis heeft verkregen van het vonnis van 17 oktober 2007, maar dat is kennelijk diezelfde dag gebeurd, zie ook de cassatiedagvaarding onder 2.4, i.h.b. voetnoot 7.
7.Als met het cassatiemiddel ervan wordt uitgegaan dat [eiser] niet op de hoogte is van (de inhoud van) het eindarrest van 18 december 2012 (vgl. hiervoor 2.5 onder (ii)) en dit arrest ook nog niet ten uitvoer is gelegd (vgl. art. 143 lid 3 Rv Pro), staat dit arrest ook niet aan die ontvankelijkheid in de weg.