ECLI:NL:PHR:2015:190

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2015
Publicatiedatum
17 maart 2015
Zaaknummer
14/01161
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 CMRArt. 25 CMRArt. 29 CMRArt. 8:1108 lid 1 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking aansprakelijkheid vervoerder bij diefstal lading sigaretten tijdens internationaal transport

In deze zaak gaat het om de aansprakelijkheid van de vervoerder Geris voor de diefstal van een lading sigaretten tijdens een internationaal transport van Zwitserland naar Nederland. Philip Morris Products gaf opdracht aan Delacher, die het transport uitbesteedde aan Geris, dat op haar beurt Tra inschakelde voor het vervoer. Tijdens het transport werd de vrachtwagen met lading gestolen in de haven van Antwerpen, waarna Tra failliet ging.

Delacher vorderde dat Geris aansprakelijk werd gehouden voor de schade, waarbij zij stelde dat sprake was van opzet of met opzet gelijk te stellen grove schuld van de chauffeur van Tra, op grond van art. 29 CMR Pro. De rechtbank en het hof wezen deze vordering af en stelden dat de beperkte aansprakelijkheid van de vervoerder volgens art. 23 CMR Pro van toepassing was, tenzij bewijs werd geleverd van opzet of grove schuld.

Het hof oordeelde dat Delacher onvoldoende had gesteld en bewezen om het bewijsaanbod te honoreren dat de chauffeur bewust roekeloos had gehandeld. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, waarbij wordt benadrukt dat de bewijslast voor opzet of grove schuld bij Delacher ligt en dat de feiten en onderzoeksrapporten onvoldoende zijn om dit aan te tonen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; beperkte aansprakelijkheid vervoerder bevestigd wegens onvoldoende bewijs voor opzet of grove schuld.

Conclusie

14/01161
Mr. P. Vlas
Zitting, 6 maart 2015
Conclusie inzake:
de vennootschap naar buitenlands recht JCL Logistics Switserland AG, als rechtsopvolgster van Delacher & Co Transport AG,
gevestigd te Thayngen, Zwitserland
(hierna: JCL Logistics resp. Delacher)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht Logistics International AG, als rechtsopvolgster van Geris Logistics AG,
gevestigd te Pratteln, Zwitserland
(hierna: Logistics International resp. Geris)
In deze zaak over de beperking van aansprakelijkheid van de vervoerder op grond van art. 23 jo Pro. 25 CMR [1] voor schade als gevolg van diefstal van een lading sigaretten tijdens het transport, gaat het in cassatie uitsluitend om de uitleg van stellingen van partijen en om het passeren van een bewijsaanbod in het kader van de vraag naar opzet of met opzet gelijk te stellen schuld van de vervoerder in de zin van art. 29 CMR Pro.

1.Feiten en procesverloop

1.1
De relevante feiten in cassatie zijn als volgt. [2] Begin december 2004 heeft Philip Morris Products S.A. aan Delacher, de rechtsvoorgangster van JCL Logistics, opdracht gegeven tot het vervoer van 1.386 dozen (33 pallets) sigaretten van de vestiging van Philip Morris Products in Onnens, Zwitserland, naar Roosendaal. Delacher heeft het transport niet zelf uitgevoerd, maar daarvoor Geris, de rechtsvoorgangster van Logistics International, ingeschakeld. Geris heeft op 3 december 2004 de vervoeropdracht ontvangen van Delacher. Op haar beurt heeft Geris op 7 december 2004 aan F.V. Tra B.V. (hierna: Tra) opdracht gegeven tot het vervoeren van de lading van Onnens naar Roosendaal. Voor het vervoer zijn zowel door Delacher als Geris CMR-vrachtbrieven opgemaakt.
1.2
Voor het vervoer zijn zowel door Delacher als Geris CMR-vrachtbrieven opgemaakt. De vrachtbrief van Geris vermeldt dat ‘2 Fahrer sind vorgeschrieben’, die van Delacher dat de vrachtwagen ‘muss ständig überwacht werden’. [3] Tra heeft de lading op 8 december 2004 in ontvangst genomen. De chauffeur is vervolgens alleen, zonder tweede chauffeur, gaan rijden. Op 9 december 2004 is de chauffeur door de politie te Antwerpen vastgeketend en geboeid in zijn vrachtwagen aangetroffen, in de haven van Antwerpen langs de kant van de weg aan de Malagastraat. De zending sigaretten bleek met de transportdocumenten gestolen te zijn. De chauffeur heeft steeds verklaard dat hij de vrachtwagen daar op 8 december 2004 rond 23:00 uur had geparkeerd om te overnachten.
1.3
Tra is op 23 januari 2006 in staat van faillissement verklaard.
1.4
De borg van Delacher heeft op 27 december 2007 van de Belgische douaneautoriteiten een uitnodiging tot betaling ontvangen voor € 1.448.596,07 ter zake van verschuldigde invoerrechten en accijnzen voor de gestolen lading. Delacher heeft op 8 september 2008 van de Belgische douaneautoriteiten een uitnodiging tot betaling ontvangen voor € 1.514.250,66 ter zake van dezelfde invoerrechten en accijnzen. Het verschil tussen beide bedragen wordt verklaard door het oplopen in de tussentijd van de zogenaamde nalatigheidsinteressen.
1.5 (
De verzekeraars van) Philip Morris en Delacher enerzijds en (de verzekeraars van) Geris anderzijds hebben een schikking getroffen waarbij de factuurwaarde van de sigaretten vermeerderd met de vrachtkosten en rente is voldaan aan Philip Morris respectievelijk Delacher.
1.6
Er zijn meerdere onderzoeken gedaan naar de toedracht van de diefstal, waarover verschillende rapporten zijn opgesteld die door partijen in het geding zijn gebracht.
1.7
Tussen de partijen die bij het onderhavige transport betrokken zijn lopen meerdere procedures over de gestolen lading. In geschil is thans nog in welke mate Geris aansprakelijk is voor de door de diefstal van de sigaretten veroorzaakte schade die voor Delacher voortvloeit uit de Belgische fiscale vorderingen. [4] Geris heeft in de onderhavige procedure een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende, voor zover van belang, primair dat zij jegens Delacher niet aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de diefstal van de sigaretten, subsidiair dat zij jegens Delacher slechts beperkt aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de diefstal overeenkomstig het bepaalde in art. 23 jo Pro. 25 CMR.
1.8
Bij vonnis van 24 november 2010, verbeterd bij herstelvonnis van 9 februari 2011, heeft de rechtbank Breda de subsidiaire vordering van Geris toegewezen (zie rov. 3.22 van het vonnis).
1.9
In hoger beroep heeft Delacher zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Geris ten onrechte beperkt aansprakelijk heeft geacht, omdat bij het ontstaan van de schade sprake is van opzet of met opzet gelijk te stellen schuld van Geris als bedoeld in art. 29 lid 1 CMR Pro jo. art. 8:1108 lid 1 BW Pro, en voorts dat de rechtbank de stelplicht en de bewijslast ter zake van de opzet of met opzet gelijk te stellen schuld ten onrechte op Delacher heeft gelegd. [5] Tevergeefs, want het hof ’s-Hertogenbosch heeft de vonnissen van de rechtbank bij arrest van 5 november 2013 bekrachtigd.
1.1
Samengevat heeft het hof als volgt overwogen. Volgens het hof zijn van belang de zogenaamde 5-januari-arresten van de Hoge Raad [6] , waaruit volgt dat van roekeloos gedrag met de wetenschap dat de schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien (bewuste roekeloosheid) zoals bedoeld in art. 8:1108 lid 1 BW Pro sprake is, wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan zijn gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden (rov. 4.3.2). De stelplicht en de bewijslast dat sprake is van bedoelde bewuste roekeloosheid rusten volgens het hof in beginsel op Delacher. Onder de CMR is beperkte aansprakelijkheid regel en onbeperkte aansprakelijkheid uitzondering. Het is aan degene die zich op zo’n uitzondering beroept, om dat te bewijzen. De door Geris gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van beperkte aansprakelijkheid van Geris zal worden toegewezen, tenzij Delacher feiten stelt en zo nodig bewijst die tot een ander oordeel nopen (rov. 4.3.3- 4.3.4). Het hof is van oordeel dat Delacher, mede gezien de gemotiveerde betwisting door Geris, onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat in dit geval sprake is van toepasselijkheid van art. 29 CMR Pro onder de voorwaarden die de Hoge Raad in de 5-januari-arresten daaraan stelt. Er is onvoldoende gesteld om de door Delacher gestelde wetenschap of betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal te onderbouwen. Evenmin is voldoende gesteld voor de conclusie dat zo de chauffeur zich er al van bewust was dat op de plaats van het voorval een diefstalrisico bestond, hij moet hebben beseft dat de kans dat de diefstal zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren maar dat hij zich door een en ander niet van zijn gedrag – het overnachten in de Malagastraat – heeft laten weerhouden. Daarom passeert het hof het bewijsaanbod dat Delacher in dit verband heeft gedaan (rov. 4.4.3-4.4.4).
1.11
De rechtsopvolgster van Delacher, JCL Logistics, heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De rechtsopvolgster van Geris, Logistics International, heeft verweer gevoerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bestaat, na een inleiding, uit zeven onderdelen.
Onderdeel 1betoogt dat het hof een rechtens onjuiste althans een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven door (i) het passeren van het bewijsaanbod van Delacher met betrekking tot haar stellingen dat, gelet op de gemanipuleerde tachograaf gegevens, het relaas van de chauffeur omtrent zijn route en in het bijzonder zijn verklaring dat hij op 8 december 2004 rond 23:00 uur aan de Malagastraat is geparkeerd om daar te overnachten niet kan kloppen en de chauffeur derhalve heeft gelogen, en/of (ii) te oordelen dat Delacher onvoldoende heeft gesteld om wetenschap of betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal te onderbouwen althans de toepasselijkheid van art. 29 CMR Pro aan te nemen. Dit betoog wordt nader uitgewerkt in de overige klachten.
Onderdeel 2voert aan dat, voor zover het hof de stellingen en het bewijsaanbod van Delacher als niet relevant heeft gepasseerd omdat daarmee niet voldoende bewezen is dat sprake is van opzet of grove schuld bij de chauffeur en/of diens participatie in de diefstal, het standpunt van Delacher met betrekking tot de toepasselijkheid van art. 29 CMR Pro door het hof onbegrijpelijk is uitgelegd.
2.2
De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Na een beoordeling van de stellingen van partijen, inclusief de stelling van Delacher dat de verklaring van de chauffeur niet juist kan zijn, alsmede rekening houdend met de door partijen ingebrachte onderzoeksrapporten, komt het hof in rov. 4.4.3 tot het oordeel dat Delacher, mede gezien de gemotiveerde betwisting door Geris, onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in art. 29 CMR Pro. Zie ook rov. 4.4.4 waarin het hof oordeelt dat, mede gezien de gemotiveerde betwisting daarvan, door Delacher onvoldoende is gesteld om de door haar gestelde wetenschap of betrokkenheid van de chauffeur bij de (op handen zijnde) diefstal te onderbouwen. Evenmin is volgens het hof voldoende gesteld voor de conclusie dat, zo de chauffeur zich er al van bewust was dat ter plaatse een diefstalrisico bestond, hij beseft moet hebben dat de kans dat de diefstal zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren maar dat hij zich door een en ander niet van zijn gedrag – het overnachten in de Malagastraat – heeft laten weerhouden. Gelet op het debat tussen partijen over de toepasselijkheid van art. 29 CMR Pro en de over en weer ingebrachte stukken, is de uitleg die het hof aan de stellingen van partijen heeft gegeven niet onbegrijpelijk; het oordeel van het hof is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Nu door Delacher onvoldoende is gesteld, kon het hof voorbijgaan aan het bewijsaanbod van Delacher. Verder geldt, zoals het hof in rov. 4.4.4 ook heeft overwogen, dat voor zover Delacher al zou slagen in het bewijs van haar stelling dat de verklaring van de chauffeur niet juist kan zijn, daarmee nog niet voldoende is bewezen dat sprake is van opzet of met opzet gelijk te stellen schuld van de chauffeur in de zin van art. 29 CMR Pro. [7]
2.3
Onderdeel 3bouwt voort op het vorige onderdeel voor zover daarin wordt betoogd dat het hof in zijn oordeelsvorming over de vraag naar het bestaan van opzet of met opzet gelijk te stellen schuld van de vervoerder, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stelling van Delacher dat de verklaring van de chauffeur niet juist kan zijn. Zoals de opsteller van het middel zelf ook onderkent, betekent het feit dat de chauffeur niet omstreeks 23:00 uur aan de Malaga-straat heeft geparkeerd niet noodzakelijkerwijs dat hij bij de diefstal betrokken is geweest. Het hof behoefde Delacher op dit punt dan ook niet in de gelegenheid te stellen tot een nadere bewijslevering, nog ervan afgezien dat Delacher in de visie van het hof in dit verband onvoldoende heeft gesteld (zie hiervoor 2.2). Het middel faalt eveneens waar het betoogt dat de vaststelling dat de chauffeur niet omstreeks 23:00 uur aan de Malagastraat heeft geparkeerd, ertoe had moeten leiden dat het hof de bewijslastverdeling tussen partijen zou aanpassen dan wel op Geris een verzwaarde stelplicht zou leggen omtrent de ware toedracht van de diefstal. Op grond van de in cassatie niet bestreden rov. 4.3.3 en 4.3.4 heeft als uitgangspunt te gelden dat de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot het beroep van Delacher op art. 29 CMR Pro op Delacher zelf rust. Voor het hof bestond dan ook geen aanleiding om van een andere bewijslastverdeling uit te gaan of op Geris een verzwaarde stelplicht te leggen.
2.4
De klachten van de
onderdelen 4 en 5over het passeren van het bewijsaanbod van Delacher op basis van een verboden prognose zijn tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft voorbij mogen gaan aan het bewijsaanbod van Delacher op de reeds hiervoor genoemde gronden. De klacht van onderdeel 5 over de geloofwaardigheid van het verhaal van de chauffeur in het licht van de onderzoeksrapporten faalt eveneens, omdat de waardering van deze – deels tegenstrijdige [8] – rapporten is voorbehouden aan de feitenrechter. Bovendien heeft het hof de geloofwaardigheid van het verhaal van de chauffeur niet uitsluitend beoordeeld aan de hand van de onderzoeksrapporten, maar heeft het hof bij zijn oordeelsvorming in de eerste plaats rekening gehouden met de stellingen en betwistingen van partijen over en weer.
2.5
Onder verwijzing naar de stellingen van Delacher uit de feitelijke instanties, wordt in
onderdeel 6betoogd dat het hof een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat Delacher onvoldoende heeft gesteld om wetenschap of betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal te onderbouwen althans de toepasselijkheid van art. 29 CMR Pro aan te nemen en/of door het passeren van het bewijsaanbod van Delacher. Ook deze klacht treft geen doel. Zoals bij de behandeling van onderdeel 2 reeds is opgemerkt, heeft het hof alle door partijen ingebrachte stellingen en onderzoeksrapporten betrokken bij zijn oordeelsvorming over de vraag of sprake is van opzet of met opzet gelijk te stellen schuld in de zin van art. 29 CMR Pro. De uitleg en waardering van de stellingen van partijen is voorbehouden aan de feitenrechter. De uitleg die het hof in dit geval aan de stellingen van partijen heeft gegeven, is niet onbegrijpelijk gelet op de overwegingen van het hof dat (i) de stelling van Delacher dat door Tra niet is voldaan aan de verplichting om met twee chauffeurs te rijden geen verband houdt met de ongelukkige keuze van de parkeerplek door de chauffeur, en voorts dat het niet opvolgen van instructies niet tot de conclusie leidt dat sprake is van bewuste roekeloosheid, (ii) met de stelling van Delacher over de omstandigheid dat criminelen bekend zijn met kostbare ladingen nog niets is gesteld over de betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal, (iii) de route die de chauffeur heeft gevolgd weliswaar onlogisch is, maar dat dit niet tot de conclusie leidt dat sprake is van enige rechtstreekse betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal, en (iv) de keuze om aan de Malagastraat te parkeren weliswaar vreemd is, maar dat uit de ingebrachte onderzoeksrapporten niet zonder meer is af te leiden dat het onverantwoord was om er te blijven, ook omdat de stelling van Geris dat in het verleden daar vaker werd overnacht zonder dat er iets gebeurde niet gemotiveerd is bestreden (zie rov. 4.4.3).
2.6
Onderdeel 7bouwt op de eerdere onderdelen voort en heeft geen zelfstandige betekenis.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, Trb. 1957, 84.
2.Zie rov. 4.1.1 van het bestreden arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 november 2013 alsmede rov. 3.1 van het vonnis van de rechtbank Breda van 24 november 2010.
3.Zie producties 2 en 4 bij de inleidende dagvaarding.
4.Op grond van art. 3 CMR Pro zou de vervoerder (Geris, thans Logistics) aansprakelijk gehouden kunnen worden voor de daden en nalatigheden van zijn ondergeschikten en alle andere personen van wie hij zich voor de bewerkstelliging van het vervoer bedient, wanneer deze ondergeschikten of deze personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden.
5.De regeling van art. 29 lid 1 CMR Pro geldt eveneens bij opzet of schuld van de ondergeschikten van de vervoerder of van alle andere personen van wier diensten hij voor de bewerkstelliging van het vervoer gebruik maakt, wanneer deze ondergeschikten of deze andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden; zie art. 29 lid 2 CMR Pro.
6.HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9308, NJ 2001/391 en HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9309, NJ 2001/392, beide met noot van K.F. Haak.
7.Zie het slot van rov. 4.4.4: ‘(…) Het hof deelt de visie van Geris dat de chauffeur zich laakbaar heeft gedragen, in ieder geval wat betreft het manipuleren van de opgeslagen gegevens rond snelheid en rij- en rusttijden. Als gezegd is dit naar het oordeel [van het hof; A-G] niet relevant voor het verwijt dat nu centraal staat. Daarnaast, zelfs als zou komen vast te staan dat wat Delacher beweert rondom de route en de reistijden van de chauffeur, is daarmee niet voldoende bewezen dat er sprake is van opzet of grove schuld bij de chauffeur en/of van diens participatie in de diefstal. Al helemaal is daarmee niet het bewijs geleverd van de wetenschap (het besef) van de chauffeur van de risico’s die hij nam met het parkeren (overnachten) in zijn vrachtwagen aan de Malagastraat, noch dat hij zich toen ervan bewust was dat de kans dat hij zou worden bestolen met alle gevolgen van dien aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren, maar hij desalniettemin toch in de Malagastraat parkeerde’.
8.Zie rov. 4.4.3 van het bestreden arrest.