7. Indien het aanwenden van het rechtsmiddel op de 15e dag na de in persoon betekening van het vonnis hoe dan ook leidt tot niet-ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep heeft het middel geen kans van slagen. Daarom wijs ik eerst op het volgende. Mijn voormalig ambtgenoot C.J.G. Bleichrodt betoogde in 2009 dat een door de verdachte verzonden brief, die kennelijk is bestemd voor die justitiële instantie alwaar aanwending van rechtsmiddelen dient te geschieden, behoort te worden opgevat als een bijzondere volmacht om hoger beroep in te stellen. Deze brief behoort te worden doorgezonden naar de bevoegde justitiële instantie. Dat dit gebeurt na het verstrijken van de beroepstermijn is niet beslissend. ‘Bepalend is op welk moment de brief is ingekomen bij de (verkeerde) instantie’.Van Dorst schrijft hierover, met weglating van noten, het volgende:
‘’(…) de brief waarin de verdachte de wens te kennen gaf in beroep te willen gaan, had moeten worden opgevat als een bijzondere volmacht aan de griffier om namens hem in beroep te gaan; de omstandigheid dat de griffier daarvan niet meteen en dus tijdig een akte heeft opgemaakt mag niet strekken ten nadele van de verdachte. Dat geldt zelfs als de brief (eventueel per fax) niet bij de griffie maar bijvoorbeeld bij de rechter of het parket is binnengekomen.’’
8. Dezelfde benadering blijkt ook uit een aantal arresten van de Hoge Raad. Op 13 juni 2006beslist de Hoge Raad in een zaak waarin de verdachte een brief schrijft naar het openbaar ministerie, waaruit blijkt dat hij het niet eens is met het vonnis van de Politierechter. De brief bereikt binnen de termijn voor hoger beroep het arrondissementsparket. Het parket stuurt de brief echter niet door naar de griffie van de Rechtbank. De Hoge Raad overweegt als volgt:
‘’3.5. De onder 3.4 weergegeven brief, kennelijk bestemd voor die justitiële instantie alwaar aanwending van rechtsmiddelen dient te geschieden, kan slechts worden verstaan - en had daarom moeten worden aangemerkt - als een bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid onder b, Sv, tot het instellen van hoger beroep. De omstandigheid dat in weerwil daarvan het arrondissementsparket de brief niet naar de griffie heeft doorgezonden, mag niet strekken ten nadele van degene die de volmacht had afgegeven. Daaraan doet niet af hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent hetgeen in de mededeling uitspraak over de wijze van instellen van hoger beroep is vermeld en omtrent hetgeen de verbalisant die die mededeling heeft uitgereikt daarover aan de verdachte mondeling heeft meegedeeld. Het Hof had daarom de verdachte niet niet-ontvankelijk mogen verklaren in zijn hoger beroep.’’
9. Op 21 maart 2006vernietigt de Hoge Raad een arrest van het Hof waarin de verdachte, die binnen de termijn voor hoger beroep een in het Pools geschreven brief met daarin zijn naam en een parketnummer naar het arrondissementsparket stuurt, niet-ontvankelijk is verklaard. De Hoge Raad overweegt:
3.4. Een overschrijding van de termijn waarbinnen een rechtsmiddel dient te worden ingesteld, kan slechts onder bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden verontschuldigbaar zijn. Van zulke verontschuldigbaarheid kan sprake zijn indien de overschrijding van de termijn het gevolg is van handelen of nalaten van de overheid.
3.5. Gelet hierop is het kennelijke oordeel van het Hof dat het aan de verdachte moet worden toegerekend dat door hem niet binnen een termijn van veertien dagen na het vonnis van de Politierechter hoger beroep is ingesteld, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers (a) dat twee dagen na het vonnis van de Politierechter van 20 oktober 2003 bij het arrondissementsparket een in het Pools gestelde brief van de verdachte is binnengekomen waarin zijn naam en het parketnummer van de zaak zijn vermeld, (b) dat op dit schrijven pas bij brief van 7 november 2003 - dus na het verstrijken van de appèltermijn - is gereageerd, en (c) dat de verdachte naar aanleiding daarvan de op 14 november 2003 ingekomen brief van 10 november 2003 heeft gezonden, strekkende tot het (doen) instellen van hoger beroep.
10. Deze rechtspraak leidt tot de slotsom dat de indiening op de 15e dag in de onderhavige zaak niet zonder meer meebrengt dat het middel kansloos is.Het gaat nu verder over de centrale overweging van het Hof die inhoudt dat uit het dossier geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen ‘waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief van verdachte, waaraan de machtiging tot het opmaken van een akte hoger beroep is ontleend, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het openbaar ministerie is binnengekomen.’ Voor de vraag hoe die overweging moet worden gelezen is van belang dat aan de akte instellen hoger beroep drie stukken zijn gehecht: 1. Een kopie van een handgeschreven brief inhoudende: “Geachte. Bij deze teken ik [verdachte] hoger beroep aan (…).” De niet gedateerde brief is ondertekend door [verdachte] 2. Een kopie van de mededeling uitspraak van de officier van justitie gedateerd 10 september 2012. In de linker bovenhoek van de eerste pagina van dit stuk bevindt zich een stempel met het opschrift: “Ontvangen postkamer d.d. 26 sep. 2012 Arrondissementsparket Maastricht”. 3. Een kopie van wat lijkt op de handgeschreven adressering van de voorzijde van een (niet gefrankeerde) enveloppe met de volgende inhoud: ‘O.M. Postbus 1987 6201 BZ Maastricht.’ Voor zover ik heb kunnen nagaan is dit inderdaad het juiste postadres van het openbaar ministerie in Maastricht. De originele onder 1 t/m 3 bedoelde bescheidenheb ik in het dossier niet aangetroffen.