Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 april 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte terecht niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep omdat het beroep niet tijdig bij de juiste instantie was ingesteld. Verdachte had het hoger beroep namelijk eerst bij de verkeerde griffie ingediend. Pas na het verstrijken van de appeltermijn werd het beroep bij de juiste griffie ingediend.
De raadsman van verdachte stelde dat de datum van het eerste instellen van het beroep bij de verkeerde griffie leidend moest zijn en dat binnen de termijn een schriftelijke volmacht was verzonden naar de juiste griffie. De Hoge Raad oordeelde echter dat hoger beroep ingevolge art. 449 lid 1 Sv Pro moet worden ingesteld bij de griffie van het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, en dat een volmacht aan een griffiemedewerker alleen geldig is als deze medewerker bij diezelfde griffie werkzaam is.
Daarmee was het beroep van verdachte niet tijdig en niet op de juiste wijze ingesteld, en werd de niet-ontvankelijkverklaring door het hof bevestigd. Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late en onjuiste indiening.