Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Op 28 augustus 1998 zijn partijen gehuwd te Parijs (Frankrijk) onder huwelijkse voorwaarden die meebrengen dat iedere gemeenschap van goederen tussen partijen is uitgesloten.
- ii) Uit dit huwelijk zijn voortgekomen de nog minderjarige kinderen [de zoon] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , en [de dochter] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] . De minderjarigen verblijven bij de vrouw, maar beide ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
- iii) Sinds 2007 wonen partijen gescheiden.
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van een zorgregeling zoals opgenomen in het concept ouderschapsplan;
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 1.750,- per maand per kind;
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 4.000,- bruto per maand.
Bespreking cassatiemiddel
( [2] )Of de echtgenoot inkomsten heeft of zich in redelijkheid kan verwerven, is mede te bepalen aan de hand van het hem toebehorende vermogen en de inkomsten die hij daaruit geniet en/of kan genieten, eventueel mede door op het vermogen in te teren. Het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting door de aanspraak van de vrouw jegens de man op partneralimentatie te doen afhangen van haar vermogen en van de inkomsten daaruit, ook indien die inkomsten worden verkregen door interen op dat vermogen.
subonderdeel 2.1.1. (i), (ii), (iv)komen hierop neer dat het hof heeft miskend dat het tot het niet bestaan van een aanspraak van de vrouw op partneralimentatie niet reeds had kunnen concluderen op de grond dat de vrouw vermogen heeft en dat zij op dat vermogen kan interen. Bij de beslissing dat er geen aanspraak op partneralimentatie bestaat, dienen, zo wordt betoogd, mede in beschouwing te worden betrokken omstandigheden als de langdurige lotsverbondenheid van partijen wegens huwelijk en de verzorging en opvoeding van de kinderen door de niet werkende vrouw tijdens dat huwelijk.
subonderdeel 2.1.2wordt er over geklaagd dat het hof in rov. 20 uitgaat van een vermogen van de vrouw aan effecten en liquide middelen van € 1.433.947,- aan het begin van 2014.
fiscaal bezien€ 668.064,- bedraagt, niet meebrengt dat aan de begin 2014 aanwezige effecten en liquide middelen niet een (feitelijke- of markt)waarde van € 1.433.947,- toekwam. Van beide bedragen blijkt uit de bijlage ‘ [de vrouw] overig vermogen primo 2014’ bij de brief van 3 maart 2014 van [A] (productie 13 bij het verweerschrift in appel). Nu het het hof gaat om de inkomsten die de vrouw uit haar vermogen geniet of kan genieten, eventueel ook door interen, is het niet onbegrijpelijk dat het hof aanknoopt bij de waarde van de begin 2014 aanwezige effecten en liquide middelen. Deze vermogensbestanddelen kunnen als zodanig bronnen van inkomsten zijn.
subonderdeel 2.1.3wordt opgekomen tegen het in aanmerking nemen van de verhuuropbrengst van ruim € 3.100,- per maand uit één van de aan de vrouw toebehorende panden. Ook hier wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte alleen een activum in de beschouwing betrekt en niet mede de passiva en het negatieve rendement. Het gaat hier om het appartement [B] . Voor dit appartement geldt eveneens hetgeen hiervoor in 2.6.3 meer in het algemeen is opgemerkt over de geldleningen van de ouders aan de vrouw en de over de rente die over die leningen jaarlijks vervalt. Dat brengt mee dat ook de klachten in subonderdeel 2.1.3 geen doel treffen omdat zij feitelijke grondslag missen.
subonderdeel 2.1.4wordt als onjuist of onbegrijpelijk beschouwd dat het hof het feit dat de rente op de leningen van de ouders van de vrouw aan haar niet wordt uitbetaald maar bijgeschreven, opvat als een omstandigheid die ertoe bijdraagt om aan de vrouw geen partneralimentatie toe te kennen. Rente die niet wordt uitbetaald maar bijgeschreven moet, zo wordt gesteld, voor de behoeftigheid worden meegerekend.
subonderdeel 2.1.5wordt het hof in verband met rov. 20 ten slotte nog verweten buiten het debat van de partijen te zijn getreden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing te hebben gegeven door voor wat betreft de effecten betreft er van uit te gaan dat zij eenvoudig liquide te maken zijn, nu het effecten betreft van een beursgenoteerde vennootschap die makkelijk op de beurs te verhandelen zijn. Dit is door de man niet gesteld, ook niet naar aanleiding van een productie. ‘s Hofs oordeel houdt, zo wordt betoogd, een miskenning van de artikelen 24 en 149 Rv in.
subonderdeel 2.1.7wordt als onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden dat het hof in rov. 20 van oordeel is dat zij in haar behoefte van in totaal € 8.995,-
in het geheelkan voorzien door interen op haar vermogen.
subonderdeel 2.1.6wordt opgekomen tegen rov. 21, waarin het hof oordeelt dat de vrouw inmiddels ook inkomsten uit arbeid had kunnen genereren. Daarmee beoogt het hof de afwijzing van de partneralimentatie mede te onderbouwen. Omdat het hof in rov. 20 als zijn oordeel geeft dat de vrouw met inkomsten uit haar vermogen al geheel in haar eigen behoefte kan voorzien, draagt rov. 21 ten aanzien van de ontzegging van de partneralimentatie het karakter van een overweging ten overvloede. Nu rov. 20 om de hierboven uiteengezette redenen tevergeefs wordt bestreden, brengt het karakter van rov. 21 mee dat de klachten in de subonderdelen 2.1.6 en 2.1.7 reeds wegens gebrek aan belang geen doel kunnen treffen.
( [3] ), heeft de vrouw de rechtbank verzocht te bepalen dat de man voor ieder kind een bijdrage in deze kosten dient te betalen van € 1.750,- per maand. De man heeft dit verzoek bestreden. Hij heeft tegen sommige gestelde uitgaven aangevoerd dat zij niet zijn gedaan of dat zij dubbel zijn opgevoerd, tegen andere gestelde uitgaven dat zij onnodig dan wel te hoog zijn. Verder heeft de man het standpunt ingenomen dat de kosten van de kinderen met inachtneming van de op de kinderalimentatie betrekking hebbende Alimentatienormen uit het zgh. ‘Tremarapport’ dienen te worden vastgesteld en dat bij inachtneming van die normen de kosten voor beide kinderen te samen zijn te stellen op € 1.355,- per maand.
( [4] )De vrouw heeft het vaststellen van de kosten op de voet van de Alimentatienormen bestreden. De uitgaven ten behoeve van de twee kinderen zijn, ook in omvang, zodanig dat de in de Alimentatienormen voorziene bedragen voor de kosten van verzorging en opvoeding hierop niet aansluiten; de kinderen dienen niet de dupe te worden van de in de Alimentatienormen opgenomen richtlijn voor de kinderalimentatie.
( [5] )
( [6] )In rov. 26 van zijn beschikking d.d. 8 oktober 2014 oordeelt het hof evenwel:
“In hetgeen de vrouw aanvoert ziet het hof geen aanleiding om niet, gelijk de rechtbank heeft gedaan, aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van de kinderen en de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen. In de tabelbedragen zijn alle normale kosten, zoals die voor voeding en kleding, begrepen. De tabel geeft een richtlijn voor de bepaling van de redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse te maken kosten voor kinderen. Slechts in bijzondere omstandigheden kunnen de tabelbedragen worden aangepast.”In rov. 27 stelt het hof vervolgens de behoefte van de zoon vast op een bedrag van € 588,- per maand en die van de dochter op een bedrag van € 628,- per maand in verband met een bijzondere kostenpost van € 40,- per maand.
subonderdeel 2.2.1valt als volgt samen te vatten. Onjuist is dat het hof de kosten van de verzorging en opvoeding van de twee kinderen, evenals de rechtbank, vaststelt met inachtneming van de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen en voor die kosten een bedrag ontleend aan ‘Tabel 2 eigen aandeel kosten van kinderen’ aanhoudt.
( [7] )Het hof heeft hiermee miskend dat, nu gemotiveerd was gesteld dat afgeweken diende te worden van de fictieve norm van de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, in het onderhavige geval aan de tabelbedragen geen, ook niet met een zekere aanpassing, toepassing had dienen te worden gegeven. Het hof had aan de hand van alle omstandigheden van het geval de werkelijke kosten van verzorging en opvoeding moeten berekenen. Dit te meer daar de vrouw in extenso met berekeningen en bewijsstukken heeft onderbouwd dat en waarom er van de standaard forfaitbedragen moet worden afgeweken. In
sub-onderdeel 2.2.2wordt nog aanvullend er over geklaagd dat, indien het hof van oordeel is geweest dat de vrouw slechts aanpassing van de richtlijnbedragen wenste, dit een onbegrijpelijk oordeel is, nu de stellingname van de vrouw in redelijkheid niet anders kan worden begrepen dan dat zij niet van forfaitair bepaalde kosten maar van de werkelijke kosten wilde uitgaan.
‘aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen kosten van kinderen en de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen’ dient te worden verstaan. Door die weg te volgen komt het hof uit op een behoefte per kind van € 588,- per maand – [welk bedrag voor wat betreft de dochter nog te vermeerderen is met € 40,- per maand voor lessen in de Franse taal] – en wijst het de door de vrouw gestelde behoefte per kind van € 1.792- per maand af. Die gestelde behoefte is door de man bestreden op de voet deels dat zekere kosten niet zijn gemaakt of dubbel zijn geteld, deels dat zekere kosten – zoals de kosten in verband met vakanties met de kinderen – te hoog zijn en in de verhouding tot de man, voor zover zij te hoog zijn, buiten aanmerking dienen te blijven. Indien de vrouw die te hoge kosten wil blijven maken, dient zij die kosten uit haar eigen vermogen te betalen. Het hof geeft niet (voldoende) kenbaar aan in welk verweer het de man volgt. Dat betekent dat in cassatie niet er van kan worden uitgegaan, dat het hof de door de vrouw gestelde kosten voor een belangrijk deel niet bewezen acht. Dit alles roept de in subonderdeel 2.2.1 besloten liggende vraag op of het hof wel op een juiste en begrijpelijke wijze de behoefte van de kinderen op een beduidend lager bedrag heeft vastgesteld dan het door de vrouw gestelde bedrag.
( [8] )Het hof is uitgegaan van het Rapport zoals het sedert 1 juli 2013 luidt. Die versie wordt hierna ook aangehouden.
( [9] )bepalend voor de uitgaven die ten behoeve van het kind worden gedaan. Dit gezinsinkomen moet dan ook de maatstaf zijn bij het hanteren van de tabel, ook na de (echt)scheiding. Dit impliceert een duidelijke keus: de kinderen moeten in beginsel niet slechter af zijn na en door de (echt)scheiding van hun ouders.
( [10] )als bedrag ‘eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen’ vermeld een bedrag van € 1.175,-.
( [11] )voor de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde opnieuw geeft. Die richtsnoer luidt:
“Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (HR 19 december 2003, nr. R03/040, LJN AM2379, NJ 2004, 140)”.
subonderdeel 2.2.3mede voortbouwt op die in subonderdeel 2.2.1, treft ook onderdeel 2.2.3 doel.