Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘tezamen en in vereniging’ in het onder 1. en 2. bewezenverklaarde telkens onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen, althans dat de bewezenverklaring van dat bestanddeel telkens ontoereikend is gemotiveerd.
tweede middelbevat de klacht dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte (telkens) als “medeplegen van doodslag” heeft gekwalificeerd. Uit de toelichting bij het middel maak ik op dat het bezwaar tegen die kwalificatie erin is gelegen dat de feitelijke uitwerking van de ten laste gelegde doodslag geen enkele gedraging van de verdachte bevat, zodat de kwalificatie “medeplegen” niet bij de bewezenverklaring past.