Conclusie
Onderdeel 1heeft een principiële insteek. Kort gezegd, klaagt [verzoeker] dat toetsing aan de goede trouw maatstaf van art. 288 lid Pro 2 (bedoeld zal zijn: lid 1) aanhef en onder b Fw niet correspondeert met de drie doelstellingen van de Wsnp: (1) het voorkomen dat schuldenaren die in een problematische financiële situatie verkeren tot in lengte van dagen door hun schulden achtervolgd kunnen worden, (2) het aantal faillissementen terugdringen, (3) bereidheid creëren bij de schuldeisers tot het treffen van regelingen in onderling overleg of tot het aangaan van een minnelijk akkoord. Ter onderbouwing van dit standpunt citeert hij Polak-Wessels [11] - de geciteerde passage bevat slechts een uiteenzetting van de drie doelstellingen - en Noordam, [12] welke auteur geen voorstander was van toetsing aan het oude art. 288 lid 2 aanhef Pro en onder b Fw. Zijn kritiek geldt vermoedelijk ook het huidig art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw. Het Hof zou de beoogde doelstellingen volgens [verzoeker] hebben miskend, althans zijn oordeel in het licht van die doelstellingen onvoldoende begrijpelijk hebben gemotiveerd.
Onderdeel 2voldoet niet aan de daaraan in cassatie te stellen eisen en mist - voor zover al begrijpelijk - feitelijke grondslag en belang. Niet direct duidelijk is waarover wordt geklaagd. De onduidelijkheid begint al met de eerste (afgebroken) zin, waarin [verzoeker] stelt dat het Hof in rov. 3.4 - in het verlengde van rov. 3.2 - iets ten onrechte heeft overwogen en geoordeeld, zonder duidelijk te maken
watdan. Vervolgens volgt een citaat waaruit volgt dat de rechtspraak terughoudend is met de toelating van ex-ondernemers en nog terughoudender met de toelating van personen die hun onderneming nog niet hebben gestaakt. [13] Zonder een standpunt omtrent deze praktijk in te nemen, wordt daarop geklaagd dat het Hof heeft miskend dat er sprake is van discriminatie van [verzoeker] “door [verzoeker] als ex-ondernemer [vide rov. 3.2, zo meldt voetnoot 11] niet als te goeder trouw aan te merken door hem een inadequate boekhouding en gebrek aan informatie tegen te werpen als weergegeven onder rov. 3.4 (lees: 3.5) en aldus uiting gevende aan de meer restrictievere toelatingseisen van ex-ondernemers tot de Wsnp boven niet ondernemers in vergelijkbare situaties”.
onderdeel 3geen bespreking meer. Op die plaats wordt opgekomen tegen het bestreden arrest voor zover het Hof daarin de vraag opwerpt of [verzoeker] kan worden ontvangen in zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling omdat de vereiste verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 onder Pro f Fw ontbreekt. Ingevolge dit artikel dient het verzoekschrift vergezeld te gaan van een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt, afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar. [verzoeker] stelt dat materieel aan dit vereiste is voldaan omdat hij ter gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling heeft verklaard dat alleen aan de grootste schuldeiser, Hoist, een minnelijke regeling is aangeboden, zodat een andersluidend oordeel van het Hof overeenkomt met een excessief formalistische uitleg van de betreffende bepaling, waarmee doel en strekking van deze bepaling worden miskend. [14]