Conclusie
middel 1wordt betoogd dat het Hof door de algemene maatstaf te hanteren, ondanks het feit dat sprake is van een handicap, in strijd handelt met het discriminatieverbod zoals neergelegd in de (grond)wet, verdragen en richtlijnen. Naar mijn mening kan dit middel niet tot cassatie leiden. Bij de beantwoording van de vraag of een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling moet worden toegewezen moet worden getoetst aan de criteria van artikel 288, eerste lid, Faillissementswet. Onder meer moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c. Fw). Dit criterium geldt zowel voor personen waarbij sprake is van verslavingsproblematiek als voor personen waarbij daar geen sprake van is. Voor zover het middel betoogt dat voor een alcoholverslaafde een ander criterium dan zou gelden dan ten aanzien van personen bij wie geen sprake is van verslaving, gaat dit niet op. Bij de beoordeling van de vraag of aan het wettelijke criterium is voldaan is de omstandigheid dat sprake is van handicap, bestaande uit verslavingsproblematiek en/of (andere) psychische stoornissen, op zichzelf geen reden tot afwijzing, zoals het Hof terecht heeft geoordeeld. Dit neemt echter niet weg dat verslavingsproblematiek aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg kan staan, indien op grond daarvan moet worden aangenomen dat gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en/of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Reeds in de conclusie van A-G Keus bij het arrest van uw raad van 11 juli 2008 is geoordeeld dat verslavingsproblematiek in die zin een rol kan en mag spelen bij de beoordeling van de beantwoording of is voldaan aan de toetsingscriteria. [1] De door het Hof gehanteerde maatstaf is gebaseerd op de wet en op zichzelf genomen niet discriminerend. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.
middel 2voert [verzoeker] aan dat het Hof ten onrechte voorbij gegaan is aan de verklaring van de psychiater, [betrokkene 1]. Dit middel mist feitelijke grondslag, aangezien het Hof de verklaring uitgebreid heeft aangehaald en heeft uiteengezet waarom deze verklaring niet doorslaggevend wordt geacht. Aan het slot van middel 4 betoogt [verzoeker] nog dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verklaring van de psychiater onvoldoende is voor het oordeel dat [verzoeker] aan de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen zal voldoen. Het betreft hier echter een oordeel van feitelijke aard, waarover in cassatie niet kan worden geklaagd.
middel 3wordt betoogd dat het Hof in feite heeft geoordeeld dat de alcoholverslaving aan [verzoeker] kan worden toegerekend, hetgeen een element van verwijtbaarheid bevat dat zich niet verdraagt met het discriminatieverbod. Dit middel kan mijns inziens evenmin slagen. Zoals eerder gezegd beoordeelt het Hof of wordt voldaan aan het criterium van artikel 288, eerste lid 1, aanhef en onder c. Fw. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling hoge eisen worden gesteld. De aanwezigheid van verslavingsproblematiek kan aan het slagen van het schuldsaneringstraject in de weg staan. In dat kader is dan ook van belang dat de verslavingsproblematiek onder controle is. De vraag naar verwijtbaarheid is daarbij niet aan de orde.
middel 4wordt aangevoerd dat het Hof het in de conclusie van A-G Keus [2] genoemde uitgangspunt is dat de schuldenaar de verslavingsproblemen
gedurende enige tijdonder controle moet hebben, heeft miskend. Dit uitgangspunt impliceert volgens het middel dat ook bij een kortere periode van abstinentie kan worden geoordeeld dat de problematiek onder controle is. Dit middel berust op een feitelijke onjuistheid. Het Hof heeft immers niet geoordeeld dat toelating tot de schuldsanering slechts mogelijk is indien sprake is van een periode van abstinentie van één jaar. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat de periode van abstinentie, mede gelet op de in het arrest weergegeven feiten en omstandigheden, op het moment van beoordeling te kort is om de conclusie dat [verzoeker] zijn verslavingsprobleem onder controle heeft te kunnen trekken.
Middel 5heeft betrekking op de overwegingen van het Hof ten aanzien van het behandelplan en het ontbreken van inzicht bij [verzoeker] in zijn schuldenpositie. Het betreft hier echter een feitelijk oordeel van het Hof, zodat dit middel niet tot cassatie kan leiden.