ECLI:NL:PHR:2015:2259

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2015
Publicatiedatum
17 november 2015
Zaaknummer
14/01305
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Rechters
  • Aben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 80a ROArt. 350 SvArt. 359 SvArt. 434 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep inzake diefstal met geweld en DNA-bewijsvoering

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd door meerdere verenigde personen. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij drie middelen werden aangevoerd.

Het eerste middel betrof de vermeende nietigheid van het onderzoek in hoger beroep vanwege het ontbreken van een pleitnotitie van 10 juli 2012. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel kansloos was, omdat het onderzoek ter terechtzitting op 5 februari 2014 opnieuw was aangevangen en de pleitnotitie toen wel aanwezig was.

Het tweede middel betrof de vraag of het DNA-materiaal op een stuk tape dat bij het misdrijf werd gebruikt, terecht was aangetroffen of het gevolg was van verplaatsing. De Hoge Raad vond dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het DNA van verdachte afkomstig was en de verklaring van verdachte over verplaatsing niet aannemelijk was.

Het derde middel betrof een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, maar de Hoge Raad oordeelde dat de verdachte onvoldoende belang had bij deze klacht. De conclusie van de procureur-generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van art. 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het hofarrest blijft in stand.

Conclusie

Nr. 14/01305
Zitting: 22 september 2015
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 19 februari 2014 de verdachte ter zake van
“diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, alsmede schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 14/05663. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. E.J. van Gils, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het
eerste middelklaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2012 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnotitie zich niet bij de stukken van het geding bevindt.
5. De in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2012 vermelde pleitnota ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Naar aanleiding van een door de raadsman op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad gedaan verzoek is bij het hof nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat die pleitnota niet meer beschikbaar zal komen. [1]
6. De op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden voorts, voor wat betreft de procesgang in hoger beroep, het volgende in:
- In hoger beroep hebben (inhoudelijke) terechtzittingen plaatsgevonden op 10 juli 2012, 18 maart 2013 en 5 februari 2014.
- Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2014 houdt in dat het onderzoek opnieuw is aangevangen aangezien het hof op dat moment anders was samengesteld dan ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 22 november 2013.
- Voornoemd proces-verbaal houdt ook in dat de raadsman ter terechtzitting van 5 februari 2014 het woord ter verdediging heeft gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotitie.
- Uit het bestreden arrest van 19 februari 2014 blijkt dat het arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2014.
7. Het middel is evident kansloos aangezien uit de stukken van het geding blijkt dat de raadsman op de nieuw aangevangen terechtzitting van 5 februari 2014 [2] ter verdediging het woord heeft gevoerd aan de hand van zijn pleitnotitie, die zich bevindt tussen de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken. Met een beroep op het ontbreken van de pleitnota van 10 juli 2012 miskent de steller van het middel dat de rechter ingevolge het bepaalde in art. 350 Sv Pro beraadslaagt en vonnis wijst naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting zoals dat na aanvang heeft plaatsgevonden. In de onderhavige zaak betreft dat in hoger beroep enkel het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2014.
8. Het
tweede middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging in hoger beroep naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat “
het aangetroffen DNA van verzoeker op een bij het misdrijf gebruikt stuk tape daar als een gevolg van verplaatsing terecht is gekomen en niet tijdens het plegen van het ten laste gelegde feit”.
9. In het bestreden arrest heeft het hof op de pagina’s 4 en 5 in een nadere bewijsoverweging uiteengezet waarom het van oordeel is dat het aangetroffen DNA-materiaal op de kleefzijde van de tape van de verdachte afkomstig is en waarom het de verklaring van de verdachte met betrekking tot “
de verplaatsing” volstrekt onaannemelijk acht. Het middel mist daarom feitelijke grondslag.
10. Voor zover de steller van het middel nog beoogt te klagen dat deze motivering tekort schiet, rechtvaardigt dat evenmin behandeling in cassatie, aangezien uit het middel niet kan worden afgeleid waarin die motivering tekort schiet.
11. Ook het
tweede middelis kansloos.
12. Het
derde middelklaagt dat de redelijke (inzend)termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Gelet op het voorgaande heeft de verdachte bij die klacht klaarblijkelijk onvoldoende belang.
13. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Zie de brief van 27 februari 2015 van het gerechtshof te Amsterdam.
2.Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 februari 2014 blijkt niet dat de advocaat-generaal en de verdachte, na de gewijzigde samenstelling van het hof, hebben ingestemd met de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting. Bij die stand van zaken moest het hof het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aanvangen. Zie HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:194,