Conclusie
“diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, alsmede schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
eerste middelklaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2012 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnotitie zich niet bij de stukken van het geding bevindt.
tweede middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging in hoger beroep naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat “
het aangetroffen DNA van verzoeker op een bij het misdrijf gebruikt stuk tape daar als een gevolg van verplaatsing terecht is gekomen en niet tijdens het plegen van het ten laste gelegde feit”.
de verplaatsing” volstrekt onaannemelijk acht. Het middel mist daarom feitelijke grondslag.
tweede middelis kansloos.
derde middelklaagt dat de redelijke (inzend)termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Gelet op het voorgaande heeft de verdachte bij die klacht klaarblijkelijk onvoldoende belang.