De zaak betreft een verdachte die op 26 april 2013 op de Voorstraat te Utrecht opzettelijk niet voldeed aan een verblijfsontzegging opgelegd krachtens artikel 2:3 vanPro de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 (APV). Deze verblijfsontzegging was opgelegd voor de duur van een maand, terwijl de instructie bij het mandaatbesluit voorschrijft dat een eerste verblijfsontzegging slechts een week mag duren.
Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van een week wegens het niet opvolgen van het bevel. De verdediging voerde aan dat de verblijfsontzegging geen bevel was als bedoeld in artikel 184 SrPro en dat de duur van de opgelegde verblijfsontzegging onrechtmatig was. Het hof verwierp deze verweren, mede omdat de verdachte geen bezwaar had gemaakt tegen het bestuursrechtelijke besluit, waardoor het besluit voor de strafrechter als rechtmatig werd beschouwd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte het beginsel van formele rechtskracht heeft toegepast en onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bevel krachtens wettelijk voorschrift is gegeven. De duur van de verblijfsontzegging was bovendien niet conform de instructie. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de discussie over de toepasselijkheid van de bevelsbevoegdheid van de burgemeester en de mandatering buiten beschouwing blijft, maar dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. De zaak wordt terugverwezen om de rechtmatigheid van het bevel en de verblijfsontzegging opnieuw te beoordelen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de verblijfsontzegging en het bevel.
Conclusie
Nr. 14/01668
Zitting: 31 maart 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 21 februari 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week.
Mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.
Het middelklaagt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat strekte tot vrijspraak omdat het aan de verdachte uitgereikte verwijderingsbevel niet was gedaan “krachtens wettelijk voorschrift”. In de eerste plaats wordt daartoe aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat de verblijfsontzegging die is opgelegd krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid bevat. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat de verblijfsontzegging niet voor een maand had mogen worden opgelegd maar voor een week. Ik merk daarbij nu al op dat het bewezen verklaarde feit is begaan nadat de eerste week was verstreken van de periode waarvoor het verwijderingsbevel was opgelegd.
Voor een goed begrip van het middel en de onderhavige zaak is van belang te beginnen met wat het hof ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard, namelijk dat
“hij op 26 april 2013 omstreeks 00.45 uur op de Voorstraat te Utrecht, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2:3 vanPro de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit van 11 september 2012, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door de Burgemeester van Utrecht, namens deze de Wijkteamchef Binnenstad van de politie Utrecht, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en die was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd zich gedurende een termijn van een maand - ingaande 17 april 2013 te 20.45 uur - niette begeven ofte bevinden in: het gebied omsloten door en inclusief de Wittevrouwenstraat, Voorstraat, Jansveld, Lange Jansstraat, Potterstraat, Oudegracht, Zandbrug, Oudegracht, Weerdbrug, Bemuurde Weerd Oostzijde, Zwartewater, Gruttersdijk, Adelaarstraat, Koekoekstraat, Weerdsingel Oostzijde met inbegrip van de Vaaltbrug (gelegen ter hoogte van het Hooghiemstraplein), Wolvenstraat, Wolvenplein, Wittevrouwenkade, Lucasbolwerk met inbegrip van het plantsoen, Kloksteeg, Wittevrouwenstraat geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.”
5. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw van de verdachte vrijspraak bepleit en daartoe in essentie aangevoerd dat “een verblijfsontzegging geen bevel of vordering als bedoeld in artikel 184 vanPro het Wetboek van Strafrecht is” en dat er “maar een ontzegging voor de duur van een week” had mogen worden opgelegd en dat de verdachte daarom niet in strijd met het besluit heeft gehandeld.
6. Het hof heeft dit verweer verworpen en daarbij het volgende overwogen:
“De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat een verblijfsontzegging geen bevel of vordering is als bedoeld in artikel 184 vanPro het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft voorts bepleit dat de verblijfsontzegging geen stand kan houden omdat verdachte niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze hieromtrent kenbaar te maken en het besluit voor een te lange duur is genomen. Het hof overweegt hieromtrent dat verdachte, indien hij van mening was dat het bestuursrechtelijke besluit geen stand kon houden, in bezwaar en eventueel daarna bij de bestuursrechter in beroep had moeten gaan om het besluit aan te vechten. Nu hij dit niet heeft gedaan is het besluit, de verblijfsontzegging, hiermee voor de strafrechter komen vast te staan en dient het hof uit te gaan van de rechtmatigheid van dat besluit. De verweren die erop gericht zijn dat het besluit geen stand kan houden worden hiermee verworpen.”
7. Ik bespreek alleen de tweede klacht omdat naar mijn mening hierin terecht aan de orde wordt gesteld dat het hof ten onrechte het beginsel van de formele rechtskracht heeft ingeroepen. [1] Voor zover in cassatie de duur van de verblijfsontzegging aan de orde is, betekent dit voor de beoordeling van het middel het volgende. Ik volsta met het weergeven van de artikelen uit de APV waarop de verblijfsontzegging berust en de onderdelen van de regeling waarin is aangegeven om welke redenen en voor welke duur de verblijfsontzegging kan worden opgelegd. De wijze waarop het opleggen van de verblijfsontzegging is gemandateerd kan daarbij buiten beschouwing blijven. [2]
8. Artikel 2:3 aanhefPro en lid 1 APV Utrecht 2010 houdt het volgende in:
De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen.”
9. Artikel 2:27 aanhefPro en lid 1 APV Utrecht 2010 houdt het volgende in:
“Artikel 2:27 HinderlijkPro gedrag op openbare plaatsen
1. Het is verboden:
a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair e.d.;
b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt”.
10. De Instructie behorende bij mandaatbesluit verblijfsontzeggingen Breedstraatbuurt/Bemuurde Weerd en omgeving (nummer 12.083648) (hierna: de Instructie), dat zich bij de stukken bevindt, houdt onder 1 het volgende in:
“1.Een verblijfsontzegging als bedoeld in artikel 2:3 lid1 van de APV zal worden opgelegd aan personen die in dit gebied:
[…];
[…];
in strijd met het verbod als bedoeld in artikel 2:27 lid 1 onderPro b van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 zich zodanig op een openbare plaats op te houden dat aan gebruikers of gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt;
[…]”
11. De Instructie houdt onder 11 het volgende in:
“11. De duur van de verstrekte verblijfsontzegging bedraagt voor de onder 1 genoemde handelingen: a. één week voor de eerste verblijfsontzegging;
b. één maand voor iedere volgende verblijfsontzegging die binnen een jaar na de vorige wordt opgelegd.”
12. Uit het Besluit verblijfsontzegging Breedstraatbuurt/Bemuurde Weerd en omgeving (hierna: Besluit), dat het hof onder 2 voor het bewijs heeft gebruikt, blijkt dat met ingang van op 17 april 2013 te 20.45 tot en met 17 mei 2013 te 20:45 uur aan de verdachte een verblijfsontzegging is opgelegd omdat is vastgesteld dat de verdachte is geverbaliseerd voor “in strijd met het verbod als bedoeld in artikel 2:27 lid 1 onderPro b van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 zich zodanig op een openbare plaats op te houden dat aan gebruikers of gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt”.
12. Wat betreft de duur van de verblijfsontzegging blijkt uit de Instructie dat de duur van de verblijfsontzegging één week bedraagt voor de eerste verblijfsontzegging, en één maand voor iedere volgende verblijfsontzegging die binnen een jaar na de vorige wordt opgelegd. Uit het Besluit blijkt dat de aan de verdachte opgelegde verblijfsontzegging één maand bedraagt.
12. Uit het arrest noch uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan blijken dat de verblijfsontzegging waarvan de overtreding in de onderhavige zaak ten laste is gelegd en bewezen is verklaard, “is opgelegd binnen een jaar na de vorige”. Ook een blik over de papieren muur leverde hiervoor geen aanknopingspunten op.
12. Het oordeel van het hof, dat het bevel is gedaan “krachtens wettelijk voorschrift” als bedoeld in artikel 184 SrPro, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.
12. Het middel is terecht voorgesteld. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen dan wil ik nog graag in de gelegenheid worden gesteld nader te concluderen over de eerste klacht die in het middel wordt geformuleerd en een eventueel mede naar aanleiding daarvan ambtshalve te constateren grond die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. [3]
17. Bij deze stand van zaken heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2.Daardoor ga ik niet in op de principiële discussie die wordt gevoerd over de vraag of de Hoge Raad in zijn arrest van 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1742 de juiste maatstaf heeft gehanteerd door het negeren van een (gemandateerd) verwijderingsbevel dat niet krachtens een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid is gedaan, onder de bevelsbevoegdheid van art. 172 lid 3 GemeentewetPro te brengen (en het bereik van art. 184 SrPro), ondanks de omstandigheid dat art. 177 lid 2 GemeentewetPro een dergelijke mandatering verbiedt. Zie J. Nan en L. Rogier, “Strafkamer Hoge Raad onduidelijk over verwijderingsbevel”, NJB 2014/1725 en J. Brouwer en J. Schilder, “Een besluitbevoegdheid is geen bevelsbevoegdheid”, NJB 2014/2159.