Conclusie
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het Hof in rov. 3.4, dat [verzoeker] geen stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid waaraan de geldstromen in de B.V. i.o. zijn besteed, waardoor het de toets van de goede trouw ten aanzien van de schulden niet kan uitvoeren. Het onderdeel voert daartoe aan, dat [verzoeker] in appel in zijn beroepschrift een consistent relaas heeft gehouden, waaruit blijkt dat het falen van de onderneming hem niet aangerekend kan worden, maar dat dit zijn oorzaak vindt in de plotseling ingetreden ziekte van Zomer.
Onderdeel 2strekt ten betoge, dat het Hof door in rov. 3.5 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van art. 288 lid 3 Fw Pro (Handelingen I, 2006-2007, nr. 30, p. 958) voor een geslaagd beroep op dit artikel - dat met name ziet op echte gedragsaspecten - door de schuldenaar te vereisen, dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt, die blijkt uit het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht, hieraan een te beperkte uitleg heeft gegeven. Volgens het onderdeel miskent het Hof hiermee, dat bij de toepassing van art. 288 lid 3 Fw Pro ook andere criteria de doorslag kunnen geven, zeker nu in het onderhavige geval geen sprake is van een persoon met een verslaving of psychosociale problematiek en dat deze bepaling (daarnaast) ook moet worden gezien als een meer algemeen correctiemiddel bij de invulling waarvan de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft. Het Hof heeft in zijn beslissing onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van niet te goeder trouw, bij de uitoefening van een inmiddels gestaakte onderneming ontstane schulden, niet met toepassing van dit algemene correctiemiddel toegang tot de schuldsaneringsregeling zou (moeten) worden verleend.
. Laat ik over artikel 288, derde lid nog zeggen dat het een clausule is die vooral ziet op de echte gedragsaspecten, bijvoorbeeld of een verslaving onder controle is.In de discussie in de Tweede Kamer heeft dit een belangrijke rol gespeeld; als mensen in een problematisch kader terecht zijn gekomen door een verslavingsproblematiek, maar een serieuze behandeling hebben ondergaan die inmiddels zo’n stevige plaats heeft gekregen in hun leven dat je erop mag vertrouwen dat de psychosociale problemen onder controle zijn, zou het verkeerd zijn om de weg naar een schuldsaneringsregeling af te sluiten. Daarom vind ik het toegevoegde derde lid een zinvol onderdeel van deze regeling. Ik reken er ook op dat de rechterlijke macht zeer wel in staat zal zijn om met dit toegevoegde derde lid van artikel 288 te Pro werken.”