Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
Op 9 september 2013 werden tijdens graafwerkzaamheden op een sloopterrein in Tilburg grote hoeveelheden Amerikaanse dollars gevonden. Klager, die het terrein zonder rechtmatige toegang betrad, vond en nam biljetten mee, waarvan hij er 330 inleverde bij de politie. Het Openbaar Ministerie gaf aan het geld terug te willen geven aan het bedrijf [A], dat het terrein beheert en eigenaar is van de roerende zaken op het terrein.
Klager diende een klaagschrift in tegen dit voornemen, maar de Rechtbank Zeeland-West Brabant verklaarde dit ongegrond. De rechtbank oordeelde dat klager niet te goeder trouw handelde omdat hij het terrein betrad ondanks het verbod op toegang en dat hij daarom niet als rechthebbende kon worden beschouwd. De rechtbank hoefde niet in te gaan op de civielrechtelijke eigendomsrechten, omdat het ging om een voorlopig oordeel in de beslagprocedure.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank de juiste maatstaf hanteerde door te beoordelen of [A] als rechthebbende kon worden aangemerkt, niet klager. Omdat het geld geen onbeheerde zaak of schat was op het moment dat klager het vond, en het terrein was afgesloten en verboden terrein, kon klager niet als rechthebbende gelden. Het cassatieberoep faalde en het klaagschrift bleef ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het geld wordt teruggegeven aan het bedrijf [A] als rechthebbende.