Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
eerste onderdeelvoert de Gemeente aan dat het oordeel in rov. 2.20 en 2.21, hiervoor geciteerd, innerlijk tegenstrijdig is omdat - zo begrijp ik de klacht - het hof enerzijds vaststelt dat de Gemeente over kopieën beschikte en anderzijds tot oordeel komt dat de Gemeente aansprakelijk is omdat zij
nietover een kopie (van de vereiste CWI-verklaring in het dossier van werkneemster [betrokkene 2]) beschikte.
tweede onderdeel, gericht tegen rov. 2.21, valt uiteen in vier subklachten (a t/m d). De klacht onder 2.a verwijt het hof de in eerste aanleg aangevoerde, maar door de rechtbank onbehandeld gelaten stellingen van de Gemeente omtrent het ontbreken van een CWI-verklaring voor deze werkneemster niet te hebben meegewogen. De toelichting op deze klacht wijst op de devolutieve werking van een hoger beroep. De klachten onder 2.b t/m d houden in dat, indien het hof die stellingen wel heeft meegewogen, het hof niet tot het oordeel had kunnen komen dat de Gemeente aansprakelijk is voor de door OPOA geleden schade.
derde onderdeelheeft betrekking op het verwijt dat de leer/werk-overeenkomsten (praktijkovereenkomsten), die telkens ten grondslag zouden moeten liggen aan de ‘afdrachtvermindering onderwijs’ ontbreken. De motiveringsklacht houdt in dat het oordeel in rov. 2.22 en 2.23 van het tussenarrest (hiervoor geciteerd), dat niet gesteld of gebleken is dat de Gemeente over kopieën van de ‘praktijkovereenkomsten’ beschikte, onverenigbaar is met de vaststelling dat de Gemeente heeft aangevoerd dat zij niet over de originele documenten, maar wel over kopieën van de onderliggende documenten beschikte.
vierde onderdeelverwijt het hof aansprakelijkheid van de Gemeente aan te nemen zonder deugdelijke wettelijke grondslag. De enkele vaststelling dat geen kopie van een praktijkovereenkomst is aangetroffen zou rechtens dit oordeel niet kunnen dragen (klacht 4.a). In klacht 4.b voegt de Gemeente hieraan toe dat het hof ten onrechte feiten die door de Gemeente waren betwist als vaststaand tussen partijen heeft aangenomen. Klacht 4.c is gericht tegen de gevolgtrekking dat het niet kunnen terugvinden van de praktijkovereenkomsten betekent dat de Gemeente niet over deze praktijkovereenkomsten beschikte. Dit is volgens de Gemeente een onjuiste aanname, nu zij heeft aangevoerd dat zij wél over kopieën van de desbetreffende praktijkovereenkomsten beschikte toen zij het dossier nog beheerde en dat aan haar niet kan worden toegerekend wat er nadien met het dossier is gebeurd. Klacht 4.d verwijt het hof de devolutieve werking van een hoger beroep te hebben miskend, als het hof ervan is uitgegaan dat het in eerste aanleg door de Gemeente aangevoerde stellingen niet behoefde mee te wegen. In klacht 4.e voert de Gemeente aan dat de veronderstelling dat zij ten tijde van de aangiften niet over de benodigde praktijkovereenkomsten beschikte, onbegrijpelijk is in het licht van de volgende stellingen van de Gemeente: 1) dat de door de Gemeente bijgehouden personeelsdossiers bij afgifte aan OBT compleet waren; 2) dat wat nadien met de dossiers is gebeurd, niet voor rekening van de Gemeente mag worden gebracht; 3) dat de Belastingdienst had verklaard: “Op basis daarvan kan met de over het jaar 2003 geclaimde vermindering akkoord worden gegaan”.
3.Bespreking van het incidenteel middel
incidenteel cassatiemiddelis gericht tegen het oordeel in rov. 4.8 van het tussenarrest van 26 maart 2013 en de daarop voortbouwende overwegingen. Het hof besliste dat (in verband met de overgang van de opdracht van de ene opdrachtnemer naar de andere) van de Gemeente wel kon worden verlangd dat zij
desgevraagdrelevante gegevens zoals de ‘toekomstmutaties’ aan de nieuwe opdrachtnemer (OBT) doorgeeft, maar niet dat zij
ongevraagdeen overdrachtsnotitie met die gegevens aan OBT verstrekt.