ECLI:NL:HR:2011:BQ7062

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00895
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6:74 BWArt. 7:400 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperkte reikwijdte zorgplicht assurantietussenpersoon

In deze zaak stond de vraag centraal wat de reikwijdte is van de zorgplicht van een assurantietussenpersoon. Eiser, handelend onder de naam [A], had een vordering ingesteld tegen Aon Nederland C.V., die als assurantietussenpersoon optrad. De rechtbank Rotterdam wees het vonnis in eerste aanleg, en het gerechtshof te 's-Gravenhage bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, waarbij hij betoogde dat de zorgplicht van Aon verder reikte dan door de lagere instanties was aangenomen. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep echter verworpen, daarbij verwijzend naar artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de toepasselijke bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, met name artikel 6:74 BW Pro (onrechtmatige daad) en artikel 7:400 BW Pro (overeenkomst van opdracht).

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad veroordeelde eiser tevens in de kosten van het geding in cassatie.

Deze uitspraak bevestigt de beperkte reikwijdte van de zorgplicht van assurantietussenpersonen en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het aannemen van cassatiemiddelen die geen wezenlijke rechtsvragen aan de orde stellen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

2 september 2011
Eerste Kamer
10/00895
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], handelende onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
AON NEDERLAND C.V., handelende onder de naam Aon Verzekeringen, Assurantie bemiddeling,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Aon.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 231378/HA ZA 05-159 van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2005;
b. het arrest in de zaak 105.004.640/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 november 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Aon heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door mr. M. Ynzonides en mr. W. Princée, beiden advocaat te Amsterdam, en voor Aon door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aon begroot op € 1.829,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 september 2011.