Conclusie
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in een aantal subklachten. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de partij die door dreiging met executie van dwangsommen de veroordeelde partij heeft gedwongen tot (medewerking aan de) uitvoering (nakoming) van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, voordat dit in kracht van gewijsde is gegaan, in beginsel (toerekenbaar) onrechtmatig heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is, wanneer het vonnis met de daarin begrepen veroordeling in hoger beroep wordt vernietigd. Voorts heeft het hof miskend dat de veroordeelde partij in een geval als het onderhavige niet verplicht is om, op straffe van verval van de schadeplichtigheid van de met executie dreigende partij, en voordat zij tot uitvoering van het vonnis overgaat, eerst in overleg te treden met de executerende partij in verband met het feit dat zij een schorsingsprocedure op de voet van art. 272 Rv Pro-St.M. aanhangig heeft gemaakt, noch dat zij verplicht is om een ‘spoedmaatregel’ bij de appelrechter te vragen alvorens executiekosten te maken. Het onderdeel betoogt verder dat de door het hof genoemde omstandigheden dat Duck met de afbraakwerkzaamheden is begonnen zonder overleg met [verweerder], zonder een ‘spoedmaatregel’ bij de appelrechter te vragen en ook (ruim) voordat de dwangsommen zouden worden verbeurd, noch afzonderlijk noch in combinatie omstandigheden vormen die een uitzondering op het hiervoor genoemde beginsel rechtvaardigen. Voor zover het hof een en ander niet heeft miskend, klaagt
onderdeel 2dat het oordeel van het hof dat de afbraakkosten die Duck heeft gemaakt voor haar risico dienen te komen, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof de navolgende stellingen van Duck niet (kenbaar) bij zijn oordeel heeft betrokken [9] :