Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [2] ), terwijl voor Aegon als gevolmachtigde optrad eerst Bouwfonds Verzekeringen en later ABN AMRO Hypotheekbank, handelend onder de naam Florius.
Onderzoek I-tek
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [3] ):
( [4] )Onder misleiden is te verstaan het door het verstrekken van geen, onvolledige of onjuiste informatie bewegen van de verzekeraar tot het aangaan van een overeenkomst, die hij bij bekendheid met de verstrekte informatie niet of op andere voorwaarden zou zijn aangegaan. In het aanvaarden van deze uitzondering – vóór 1 januari 2006 in de jurisprudentie en na 1 januari 2006 in artikel 7:928 lid Pro 6, slot BW – ligt besloten dat ook in het geval dat aan de verzekeringnemer voorafgaande aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst een vragenlijst ter invulling is voorgelegd en ten aanzien van dat feit geen vraag is gesteld, toch op grond van andere feiten en omstandigheden kan en mag worden aangenomen dat de verzekeringnemer er wetenschap van heeft dat een feit voor de verzekeraar van belang is. Maar om die wetenschap met vrucht aan de verzekeringnemer te kunnen tegenwerpen is wel nodig dat wordt aangetoond dat hij het meedelen van het feit heeft nagelaten met het opzet om de verzekeraar te misleiden.
subonderdeel 1.1erover wordt geklaagd dat het hof aanneemt dat Aegon reeds op grond van het voldaan zijn aan het kenbaarheidsvereiste een beroep op artikel 251 (oud) WvK kan doen en daarmee uit het oog verliest dat daarvoor ook nog aan drie andere voorwaarden moet zijn voldaan, mist de klacht doel wegens gemis aan feitelijke grondslag. Bij de drie andere vereisten – het kennis-, relevantie- en verschoonbaarheidsvereiste – staat het hof stil in de rov. 8, respectievelijk 12 jo. 13 en 14. Tegen rov. 8 is in cassatie niet opgekomen. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat aan het kennisvereiste is voldaan.
subonderdelen 1.2 en 1.3zijn klachten opgenomen die zich tegen dit oordeel richten. Die klachten slagen om na te noemen redenen niet.
( [5] )Daarvoor kon het hof ook steun vinden in het in rov. 10 vermelde, door [eiseres] tegenover [verweerder 2] ingenomen standpunt dat deze nader bij haar had moeten informeren naar de redenen van de opzegging. Dat standpunt nam [eiseres] in in § 45 van de dagvaarding van 29 november 2011, waarmee zij de procedure tegen [verweerder 2] bij de rechtbank Den Haag aanspande. In diezelfde dagvaarding zet [eiseres] ook uiteen waarom volgens haar Aegon gehouden is dekking te bieden voor de op 16 april 2010 geleden schade. De beide zaken zijn ook verder procedureel nauw met elkaar verbonden gebleven. Ieder van de betrokken partijen was bekend met het door de andere partijen ingenomen standpunten. Dat maakte het voor de rechter mogelijk om acht te slaan op wat door de verschillende partijen in de twee zaken naar voren werd gebracht.
subonderdeel 1.4wordt het hof verweten het verschoonbaarheidsvereiste buiten beschouwing te hebben gelaten. Omdat Aegon in het aanvraagformulier niet een specifieke vraag over een eerdere opzegging door een verzekeraar van een verzekering had gesteld, kon vanwege dit vereiste, zo wordt betoogd, Aegon zich jegens [eiseres] niet beroepen op het door haar niet meegedeeld zijn van de opzegging van verzekeringen door RVS.
subonderdeel 2.1komt overeen met die in subonderdeel 1.1 en slaagt niet om de hierboven in 2.7 vermelde reden.
subonderdeel 2.2wordt geklaagd over een onbegrijpelijke oordeelsvorming in rov. 12 in het licht van rov. 7. In rov. 12 merkt het hof op dat Aegon heeft aangevoerd dat zij een frauderende verzekerde of een frauderende verzekeringnemer een onacceptabel risico acht en dat zij een aanvraag van een verzekering van zo iemand niet pleegt te aanvaarden. Dat is voor het hof het vertrekpunt bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het relevantievereiste, welke vraag het hof vervolgens bevestigend beantwoordt. Maar in rov. 7 heeft het hof overwogen, zo wordt aangevoerd, dat het er niet zozeer om gaat of [eiseres] het haar door RVS gemaakte verwijt heeft mogen begrijpen als een verwijt van “fraude”. Dit laatste wordt door [eiseres] zo opgevat dat het hof het irrelevant acht of het gedrag van [eiseres] , dat voor RVS reden was om de verzekeringen op te zeggen, als fraude valt aan te merken. Dan is het onbegrijpelijk, zo is kennelijk de gedachte, dat het hof aanneemt dat Aegon, indien in kennis gesteld van de reden van opzegging door RVS van de verzekeringen, de met [eiseres] in 2001 afgesloten verzekeringen niet zou zijn aangegaan wegens door haar gepleegde fraude.
( [6] )Voor die gehoudenheid acht het hof beslissend of RVS haar het verwijt heeft gemaakt dat zij omtrent het schadegeval van 1999 tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Een dergelijk handelen kan worden opgevat als een handelen van een frauderende verzekeringnemer waarvan Aegon spreekt. Gesteld noch gebleken is dat Aegon daarbij slechts het oog heeft op een frauderen in strafrechtelijke zin.
subonderdeel 2.3wordt geklaagd over een onbegrijpelijke oordeelsvorming in rov. 12 in het licht van rov. 13, eerste volzin. Gesteld wordt dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 12 de stellingen van Aegon zo begrijpt dat zij een aanvraag om verzekering niet pleegt te accepteren, terwijl het hof in rov. 13, eerste volzin, vaststelt dat [eiseres] zich erop heeft beroepen dat Aegon ter comparitie in eerste aanleg heeft aangegeven dat het lastig is om achteraf te zeggen of, indien Aegon over alle informatie had beschikt, wel of niet een verzekering zou zijn afgesloten.
subonderdelen 2.4, 2.5 en 2.6bevatten klachten, die meer in het bijzonder op rov. 13 betrekking hebben.
“Het hof stelt in rov. 23 vast dat de brieven d.d. 9 augustus 2001, 10 augustus 2001 en 27 september 2001 bevestigen de toezending door SRK aan [verweerder 2] van een afschrift van een brief aan [eiseres] . Voorts stelt het hof vast dat [verweerder 2] stelt dat hij wist van de beëindiging van de verzekeringsovereenkomsten met RVS. Het enkele feit dat rechtsbijstandsverzekeraar SRK brieven aan [eiseres] aan [verweerder 2] toezendt, is in het kader van eerdergenoemde van een redelijk handelende en redelijk geïnformeerde zelfstandige tussenpersoon te vereisen pro-actieve houding aanleiding om ‘door te vragen’.Van deze beweringen kan niet worden gezegd dat zij de onbegrijpelijkheid van de hiervoor in 2.23 vermelde feitelijke oordelen van het hof aantonen. Dit geldt te meer, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat [verweerder 2] heeft gesteld dat hij op de hoogte was van de beëindiging door RVS van de verzekeringen die [eiseres] bij haar had afgesloten. Dit betekent dat de motiveringsklacht in onderdeel 4 ook niet slaagt en daarmee evenmin de klacht aan het slot van rov. 4 dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van [eiseres] met betrekking tot de authenticiteit van de – hiervoor in 2.23 genoemde – brieven heeft gepasseerd.