ECLI:NL:PHR:2015:2410

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 oktober 2015
Publicatiedatum
17 december 2015
Zaaknummer
15/04447
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 1 lid 1 Wet BopzArt. 2 Wet BopzArt. 31 Wet BopzArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voorlopige machtiging op grond van Wet Bopz bij alcoholverslaving met stoornis geestvermogens

Op 10 juni 2015 verzocht de officier van justitie in Rotterdam een voorlopige machtiging voor betrokkene om diens verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis voort te zetten op grond van de Wet Bopz. De rechtbank verleende deze machtiging op 29 juni 2015 voor de periode tot uiterlijk 12 december 2015. Betrokkene stelde hiertegen beroep in cassatie in, zonder verweerschrift.

Het cassatiemiddel richtte zich tegen het oordeel dat betrokkene een stoornis van de geestvermogens heeft, bestaande uit afhankelijkheid van alcohol, diverse drugs en benzodiazepinen, en dat deze stoornis van dien aard is dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zodanig wordt beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend. De Hoge Raad overwoog dat alleen verslaving niet voldoende is; er moet sprake zijn van een ernstige psychische stoornis die de gevaarlijke daden overwegend beheerst.

De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank de juiste maatstaf hanteerde, mede gelet op de parlementaire geschiedenis en eerdere jurisprudentie. De rechtbank had inzichtelijk gemotiveerd dat betrokkene niet alleen verslaafd is, maar dat deze verslaving gepaard gaat met een ernstige stoornis van de geestvermogens. Dit oordeel werd niet onbegrijpelijk geacht, onder meer omdat betrokkene ondanks een ernstige nekblessure tegen medisch advies in weer overmatig alcohol ging gebruiken.

De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard en bevestigde daarmee de voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en de voorlopige machtiging is bevestigd.

Conclusie

Zaaknr: 15/0444
7 Mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 23 oktober 2015 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Rotterdam

1.Feiten en procesverloop

1.1.
Op 10 juni 2015 heeft de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam een voorlopige machtiging verzocht om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren (art. 2 in Pro verbinding met art. 31 Wet Pro Bopz). Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 8 juni 2015 gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
1.2.
Op 29 juni 2015 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor het tijdvak tot uiterlijk 12 december 2015.
1.3.
Namens betrokkene is – tijdig [1] – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.
Het middel komt op tegen het oordeel dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, erin bestaande dat betrokkene afhankelijk is van alcohol, diverse drugs en benzodiazepinen. Het middel klaagt dat de rechtbank niet duidelijk maakt waarom sprake zou zijn van een stoornis van de geestvermogens in de zin van art. 1 Wet Pro Bopz, nu zij niet heeft vastgesteld met welke (andere) psychische stoornissen van zodanige aard de verslaving gepaard gaat, dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. Het citeren van (een deel van) de beschikking van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 [2] is daartoe niet voldoende. Het oordeel is in ieder geval onbegrijpelijk gemotiveerd.
2.2.
Voor een voorlopige machtiging vereist de Wet Bopz een stoornis van de geestvermogens die de betrokken patiënt gevaar doet veroorzaken, welk gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (zie art. 2, in verbinding met art. 1 Wet Pro Bopz). De ‘geestvermogens’, bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Pro Bopz, zijn in de parlementaire geschiedenis omschreven als: “de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen’. Zij worden bepaald door biologische, psychische en sociale factoren [3] . Van een ‘ziekelijke stoornis’ van deze geestvermogens is sprake zodra deze tijdelijk of blijvend gestoord raken. Het vaststellen van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens vergt een onderzoek door een deskundige (psychiater). De eis van een psychiatrisch onderzoek wordt zowel in de Wet Bopz als in de rechtspraak van het EHRM over de toepassing van art. 5, lid 1 onder e, EVRM gesteld.
2.3.
In zijn beschikking van 23 september 2005 [4] heeft de Hoge Raad overwogen:
“(...) dat alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.” (rov. 3.3.5)
2.4.
In een beschikking van 10 oktober 2014 overwoog de Hoge Raad:
“(...) Mede tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM Pro voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming, kan verslaving aan middelen als drugs en alcohol niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het bij afhankelijkheid van verslavende middelen veelal gaat om verschijnselen van chronische aard, zodat een daarop gebaseerde vrijheidsbeneming naar haar aard eveneens van lange duur zou kunnen zijn (zie de hiervoor [...] genoemde beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2005).” [5]
2.5.
Het enkele feit dat de betrokkene verslaafd is, is derhalve niet voldoende. Van belang is of de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat aan de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze, grotendeels aan de parlementaire geschiedenis van de Wet Bopz ontleende omschrijving dekt zowel gevallen van comorbiditeit als gevallen waarin alleen sprake is van alcoholafhankelijkheid, mits deze de bovengenoemde graad van ernst heeft bereikt. In zijn noot onder HR 10 oktober 2014 duidt Dijkers de beschikking van 23 september 2005 aldus dat hieruit niet moet worden afgeleid dat naast de verslaving altijd een
anderestoornis aanwezig moet zijn. Een verslaving is slechts relevant wanneer deze gepaard gaat met dermate ernstige psychische stoornissen – dat wil zeggen: feitelijk aanwezige verstoringen van het “denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen” − dat betrokkene geen stuur over zijn gedragingen heeft. Het is, anders gezegd, niet noodzakelijk om een afzonderlijke tweede ziekte te diagnosticeren; een allesoverheersende verslaving waarvan de consequenties op het psychisch functioneren van betrokkene evident aanwezig zijn, kan op zichzelf reden zijn voor dwangopneming (mits uiteraard ook het gevaar daarvoor ernstig genoeg is), aldus Dijkers [6] .
2.6.
De rechtbank heeft, blijkens haar verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 10 oktober 2014, de juiste maatstaf voor ogen gehad. Met de combinatie van haar verwijzing naar HR 10 oktober 2014, en de (feitelijke, in cassatie niet bestreden) vaststelling dat betrokkene de aanwezige, door de rechtbank beschreven risico’s zelf niet kan overzien (blz. 1), geeft de rechtbank op een inzichtelijke wijze aan dat bij betrokkene niet slechts sprake is van de genoemde verslavingen, maar óók dat zijn afhankelijkheid van deze middelen gepaard gaat met een stoornis van de geestvermogens van een zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor worden beïnvloed, in die mate dat deze stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op het feit dat uit de geneeskundige verklaring blijkt dat betrokkene een dag nadat hij zijn nek had gebroken tegen medisch advies in uit het ziekenhuis is vertrokken [7] en weer overmatig alcohol is gaan drinken [8] . De klacht kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
a.- g.

Voetnoten

1.Het cassatieverzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 29 september 2015.
3.Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz. 12.
4.HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate, «BJ» 2005/35 m.nt. W. Dijkers. Zie ook: HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3321, NJ 2007/541, «BJ» 2007/44 m.nt. W. Dijkers.
5.HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439, «JVggz» 2014/37 m.nt. W. Dijkers.
6.Zie ook de losbladige Wet Bopz (Dijkers), art. 2, aant. C.2.4.8; R.B.M. Keurentjes, Alcoholverslaving en de Wet Bopz, Trema 2013, blz. 173 – 177.
7.Zie rubriek 4a van de geneeskundige verklaring.
8.Rubriek 5c. Zie ook de medische informatie in de bij de geneeskundige verklaring gevoegde behandelovereenkomst.