Conclusie
Feiten en procesverloop
- i) Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]), die zich toelegt op beleggingen in (onder meer) projectontwikkeling en waarvan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) bestuurder en enig aandeel houder is, is in mei 2009 met verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) en een broer van [verweerder], [betrokkene 2], een maatschap (hierna: de maatschap) aangegaan in verband met de bouw en exploitatie van Hotel [A] aan de [a-straat 1-3] in Amsterdam (hierna: het Hotel).
- ii) In verband met de oprichting van de maatschap en de bouw en ontwikkeling van het Hotel heeft [eiseres] aan [verweerder] een bedrag van € 450.000,-- ter beschikking gesteld. Dat bedrag is op 8 en 29 mei 2009 uitbetaald.
- iii) Op 28 september 2009 heeft [betrokkene 1] de besloten vennootschap [B] B.V. opgericht met de bedoeling het Hotel onder de naam ‘[B]’ te gaan exploiteren.
- iv) Op 29 maart 2010 is overeenstemming bereikt over uittreding van [eiseres] uit de maatschap. In de brief inzake de uittreding is onder meer bepaald:
“(...) Hoewel met ingang van 1 mei 2009 een maatschap is aangegaan, blijkt uit het bovenstaande dat feitelijk niet als zodanig is gehandeld. Het voorstel van ondergetekenden aan [eiseres] is dan ook ermee in te stemmen dat laatstgenoemde met terugwerkende kracht per 1 mei 2009 uit de maatschap treedt. Dit onder de voorwaarde dat over de geldlening van € 450.000,- met terugwerkende kracht 5% rente zal zijn verschuldigd op jaarbasis. (...) ”
- v) Om ruimte te krijgen voor verwerving van bancair krediet heeft [verweerder] [eiseres], aan wie tot zekerheid voor de terugbetaling van het bedrag van € 450.000,- een hypotheekrecht op het woonhuis van [verweerder] was verstrekt, verzocht om een volmacht voor royement van het hypotheekrecht. Op 8 april 2010 heeft [eiseres] de volmacht verleend. Het hypotheekrecht is opgeheven. Aan zijn verzoek had [verweerder] de toezegging verbonden dat na de regeling van het bancaire krediet weer een hypotheekrecht voor het bedrag van € 450.000,- zou worden verleend.
- vi) Nadat in een verklaring van 9 april 2010 nog de intentie was uitgesproken dat [eiseres] voor 30% de (economische) eigendom van het perceel [a-straat 1-3] onder nader te bepalen condities zou overnemen, heeft [verweerder] bij brief van 28 april 2011 aan [eiseres] een nieuw voorstel gedaan waarbij het Hotel eigendom van [verweerder] zou blijven, maar zou worden geëxploiteerd door [eiseres]. De brief vermeldt voorts (onder meer) het volgende:
“2. Ten aanzien van de door [betrokkene 1] en door [betrokkene 2] aan [verweerder] geleende gelden, elk € 450.000, - wordt het volgende vastgelegd: Zodra de verkoop van de panden aan de [b-straat] is afgerond zal over de leningen in privé verstrekt aan [verweerder], de tot dan verschuldigde renteverrekening plaatsvinden tegen 5% rente, op jaarbasis.”
- vii) Bij brief van 22 november 2012 heeft [eiseres] [verweerder] gesommeerd informatie te verschaffen over de stand van zaken met betrekking tot het Hotel en om het hypotheekrecht op zijn woning tot zekerheid voor de terugbetaling van het bedrag van
- viii) Op 7 december 2012 heeft [eiseres] [verweerder] opnieuw gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van het bedrag van € 450.000,--, vermeerderd met de contractuele rente ten bedrage van € 85.134,57. Op deze sommatie is door [verweerder] evenmin gereageerd.
- ix) Op 14 januari 2013 heeft [eiseres] een kort geding procedure bij de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, aanhangig gemaakt waarin [eiseres] betaling heeft gevorderd van het bedrag van € 450.000,--. De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Naar aanleiding van hetgeen aldaar is besproken en afgesproken, heeft [eiseres] die procedure ingetrokken.
- x) De advocaat van [eiseres] heeft bedoelde afspraken bevestigd in een e-mail van 28 januari 2008 aan de advocaat van [verweerder]. Hij schrijft onder meer:
Jouw cliënt [verweerder] zal volledige inzage geven in zijn gehele financiële situatie.
Jouw cliënt [verweerder] zal een concreet voorstel doen om te komen tot aflossing van het bedrag van € 450.000 (vermeerderd met rente) aan [eiseres] Jij gaf aan dat vanaf juli 2013 met de terugbetaling kan worden begonnen.
Bespreking cassatiemiddel
valt in dit kader ten minste te vergen dat zij feitelijk onderbouwt dat de vader van [betrokkene 1] het bedrag daadwerkelijk van [eiseres] heeft opgeëist en geen uitstel van betaling duldt of kan dulden. Voorts is van [eiseres] te vergen dat zij motiveert dat en waarom zij, indien daarvan sprake is, niet aan die verplichting kan voldoen.”
niets is gesteld, dat er nog steeds geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt om een definitieve executoriale titel tot betaling te krijgen terwijl het eerste kort geding al van januari 2013 dateert en dat [eiseres] bij de (schikkings)besprekingen tussen partijen deelbetalingen met een langere termijn accepteert, duiden er niet op dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist in de onder 3.3 bedoelde zin.”
( [2] )
“er nog steeds geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt om een definitieve executoriale titel tot betaling te krijgen terwijl het eerste kort geding al van januari 2013 dateert”. In subonderdeel IIb.1 wordt dit oordeel als onvoldoende gemotiveerd bestreden. Die klacht gaat, naar het voorkomt, op. Ter toelichting op de klacht wordt erop gewezen dat [verweerder] in januari 2013 een betalingstoezegging deed waarin [eiseres] aanleiding vond het toen aanhangige kort geding in te trekken, en dat de vordering om [verweerder] te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 450.000,- in het onderhavige kort geding in eerste aanleg is toegewezen onder aanvaarding van spoedeisendheid van deze voorziening. Deze voor juist te houden omstandigheden kunnen heel wel verklaren dat [eiseres], hoewel het eerste kort geding al van januari 2013 dateert, geen bodemprocedure tegen [verweerder] is gestart. Bij beide omstandigheden lag het starten van een – langdurige en kostbare – bodemprocedure niet meer in de rede. Daardoor komt aan het niet gestart zijn door [eiseres] van een bodemprocedure tegen [verweerder] na januari 2013 geen of onvoldoende zeggingskracht toe aangaande de spoedeisendheid van de door [eiseres] verlangde voorziening.
“Het hierboven geciteerde oordeel … Het hof treedt mitsdien buiten de rechtsstrijd van partijen.”),wordt met motiveringsklachten bestreden het in aanmerking nemen door het hof van de omstandigheid dat “
[eiseres] bij de (schikkings)besprekingen tussen partijen deelbetalingen met een langere termijn accepteert”.
“Het oordeel van het hof in rov. 3.6.1 t/m 3.6.3 … Het hof heeft hierop niet kenbaar acht geslagen), bevat de klacht dat het hof bij de beoordeling in de rov. 3.6.1, 3.6.2 en 3.6.3 geen kenbare aandacht heeft geschonden aan aldaar genoemde stellingen van [eiseres]. De klacht slaagt niet. Uit het oog wordt verloren dat de genoemde stellingen goeddeels direct dan wel meer indirect opgenomen zijn in de weergave in rov. 3.6.2 van wat [eiseres] in eerste aanleg en in appel heeft aangevoerd. Verder geldt dat een rechter en zeker een voorzieningenrechter niet bij alle door een partij naar voren gebrachte stellingen apart hoeft stil te staan. Dit geldt meer in het bijzonder voor feiten die voor het eerst bij pleidooi in appel naar voren worden gebracht.
Conclusie