Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairgevorderd voor recht te verklaren dat Bpf Bouw, als rechtsopvolger onder algemene titel van Stichting Vroegpensioenfonds en VUT-Stichting, onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en gevorderd Bpf Bouw te veroordelen om hem met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 als (vrijwillige) deelnemer toe te laten tot de ouderdomspensioenregeling en de aanvullende regeling (“55-” en “55+”) van Bpf Bouw.
Subsidiairheeft hij schadevergoeding gevorderd.
NJ2013/106 [10] ):
beëindigingvan de pensioenregeling door de Stichting Vroegpensioenfonds, en daarmee met name niet gezegd is dat (uit art. 17 PSW Pro volgt dat) de informatie over het
aanbodin de brief van maart 2006 [verweerder] met zekerheid moest bereiken. [15] (Ook) ten aanzien van rov. 3.5 stelt zij met name dat daarmee niet gezegd is dat sprake is van een verplichting om [verweerder] schriftelijk te informeren over het aanbod, zeker niet zodanig dat de informatie [verweerder] met zekerheid zou bereiken. [16] Bpf Bouw wijst er voorts op dat het oordeel van het hof (in rov. 4.11) dat uit het feit dat geen premiegegevens meer zijn verschaft en geen premie meer is betaald vanaf 1 januari 2006 mag worden afgeleid dat [verweerder] er reeds begin 2006 van op de hoogte was dat de regelingen waren geëindigd, en dat van [verweerder] als dga had mogen worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelde van eventuele alternatieve (vroeg)pensioenregelingen, in cassatie niet is aangetast. [17] Bpf Bouw heeft na verwijzing ook nog drie communicatie-uitingen overlegd, waaruit – zoals reeds eerder bepleit door Bpf Bouw [18] – zou blijken dat [verweerder] niet alleen via de brief van maart 2006 maar ook door middel van deze uitingen reeds was geïnformeerd en dus op de hoogte was van de beëindiging van de regelingen. [19] Ook betwist hij dat [verweerder] het aanbod zou hebben aanvaard indien hij daarvan op de hoogte was. [20]
“niet van de ene op de andere dag de mogelijkheid zou worden ontnomen om vervroegd met pensioen te gaan”(mvg punt 48). Bpf Bouw had voorts besloten dat aanbod in dezelfde brief aan de dga’s bekend te maken als waarin de dga’s in kennis werden gesteld van de beëindiging van de eerdere regelingen. Door zich aldus de belangen van die dga’s aan te trekken brengen de eisen van zorgvuldigheid die Bpf Bouw in het kader van de vervulling van zijn maatschappelijke taak in acht dient te nemen, met zich dat Bpf Bouw voldoende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat dat aanbod de betrokken dga’s ook daadwerkelijk bereikt.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
ouderdomspensioenregelingvan Bpf Bouw: een ‘gewone’ ouderdomspensioenregeling verplicht voor kort gezegd werknemers in de bouw (verplichtstellingsbesluit ex art. 2 lid 1 Wpf Pro 2000). Dga ’s waren zowel voor als na 1 januari 2006 van verplichte deelneming uitgezonderd. Deze regeling is per 1 januari 2006 verruimd;
vroegpensioenregelingvan Stichting Vroegpensioenfonds: een regeling die het mogelijk maakte eerder dan met 65 jaar met vroegpensioen te gaan. De regeling werd uitgevoerd door Stichting Vroegpensioenfonds, een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Bpf 2000. Ook dga’s waren tot 1 januari 2006 verplicht deelnemer aan deze regeling. [24] Per 1 januari 2006 is de regeling komen te vervallen. Ten aanzien van deze regeling gold dat op 31 december 2005 opgebouwde rechten op vroegpensioen niet vervielen, maar verdere opbouw vanaf die datum niet meer plaatsvond;
aanvullingsregeling(‘
vut-regeling’) van VUT-Stichting: deelname was ook voor dga’s wettelijk verplicht tot 1 januari 2006. De regeling werd uitgevoerd door VUT-Stichting en is eveneens per 1 januari 2006 komen te vervallen. Ten aanzien van deze regeling gold dat de gewezen deelnemers – die op dat tijdstip de leeftijd waarop ze voor vut-uitkering in aanmerking hadden kunnen komen nog niet hadden bereikt – hun uitzicht op een vut-uitkering verloren.
ouderdomspensioenregelingvan Bpf Bouw: in verband met het vervallen van de vroegpensioenregeling is de pensioenopbouw in de ouderdomspensioenregeling van Bpf Bouw per 1 januari 2006 zodanig verruimd (van 1,95% naar 2,25% van de pensioengrondslag) dat vervroegd met ouderdomspensioen kon worden gegaan. Indien men op het aanbod in de brief van maart 2006 wilde ingaan, diende men ook (weer) deel te nemen aan de ouderdomspensioenregeling;
aanvullende regeling 55-van Bpf Bouw: een regeling voor deelnemers die op 1 januari 2005 jonger waren dan 55 jaar. Voor degenen die onder de verruimde ouderdomspensioenregeling niet voldoende aanspraken konden opbouwen (40 jaar) om eerder dan op 65-jarige leeftijd uit te treden, gold een aanvullingsregeling (voor elk ontbrekend jaar) onder voorwaarden;
aanvullende regeling 55+van VUT-Stichting: een regeling voor deelnemers die op 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren, en die onder de verruimde ouderdomspensioenregeling niet meer voldoende extra pensioenaanspraken (40 jaar) konden opbouwen ten behoeve van uittreding op 62-jarige leeftijd. Zij hadden onder voorwaarden recht op een aanvulling (voor elk ontbrekend jaar), in sommige gevallen tegen betaling van een extra premie.
briefis geïnformeerd. De vraag of [verweerder] begin 2006 daadwerkelijk op de hoogte is geweest van de beëindiging van genoemde regelingen heeft het hof vervolgens in rov. 9 uitdrukkelijk in het midden gelaten.
subonderdeel 2.2(ii)heeft het hof in rov. 6, 9 en 10 miskend (a) dat indien – hetgeen bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag moet worden aangenomen – [verweerder] voor 1 mei 2006 op andere wijze op de hoogte is geraakt van de beëindiging van de regelingen, het niet bereiken van de brief van maart 2006 nooit een schending van de zorgplicht ex art. 17 PSW Pro of anderszins door Bpf Bouw kan opleveren, zodat (b), gelet op rov. 3.5 van het arrest van Uw Raad van 8 februari 2013, er bij afwezigheid van een schending van de zorgplicht ter zake de
beëindigingook geen schending van de zorgplicht ter zake van het doen van het
aanbodis.
nooiteen schending van de zorgplicht ex art. 17 PSW Pro kan opleveren. Tekst, doel en strekking van de bepaling – waarover nader tov. 3.4 van het arrest van 8 februari 2013 – brengen mee dat het fonds aan zijn wettelijke schriftelijke informatieverplichting moet voldoen, ongeacht of de deelnemer langs andere weg van de beëindiging van een regeling op de hoogte is of zou kunnen zijn.
“Artikel 17 PSW Pro”en is gericht tegen rov. 6, 9 en 10 in samenhang met rov. 13. Het klaagt dat het daarin besloten liggende oordeel dat Bpf Bouw een zorgplicht heeft geschonden, blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent, zo valt uit het kopje en de subonderdelen af te leiden, de maatstaf ten aanzien van de zorgplicht ex art. 17 PSW Pro. Daarbij wordt erop gewezen dat het hof de (aangenomen schending van de) zorgplicht door Bpf Bouw voor een aanzienlijk deel ophangt aan het niet (tijdig) bereikt hebben van een nieuw aanbod. Volgens de s.t (onder 2.1) is met het middel beoogd aan de orde te stellen dat art. 17 PSW Pro niet ook een informatieverplichting met betrekking tot het doen van een aanbod inhoudt.
subonderdeel 2.3.1heeft het hof miskend dat uit art. 17 PSW Pro niet de (vergaande) verplichting voor Bpf Bouw voortvloeit om ervoor te zorgen dat, ongeacht bekendheid met de beëindiging van de regelingen, een
aanbodvoor vrijwillige deelname de dga’s zoals [verweerder] zou bereiken (rov. 9).
Subonderdeel 2.3.3klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste maatstaf ten aanzien van art. 17 PSW Pro doordat het zijn oordeel in rov. 9 omtrent schending van de zorgplicht mede heeft gebaseerd op het niet tijdig bereiken van het onverplichte
aanbod. Volgens
subonderdeel 2.3.4mocht het hof (het niet tijdig bereikt hebben van) het
aanbodniet meetellen bij zijn oordeel, omdat dit in het kader van art. 17 PSW Pro niet van belang is.
Subonderdeel 2.3.6klaagt dat het hof ten onrechte eenzelfde zorgplicht heeft aangenomen voor het doen van een aanbod als voor de mededelingsplicht ex art. 17 PSW Pro.
nalatig zijn geweest te voldoen aan hun wettelijke informatieplicht ex art. 17 PSW Pro. Aangevoerd wordt dat art. 17 PSW Pro in het midden laat
op welke wijzeeen deelnemer ‘
schriftelijk’op de hoogte wordt gesteld van een beëindiging van een regeling, en dat dit derhalve niet hoeft te geschieden via een brief als verstuurd in maart 2006. Naar Bpf Bouw heeft gesteld, was [verweerder] geïnformeerd via een drietal andere schriftelijke communicatie-uitingen. [26] De
subonderdelen 2.3.4 (voorts) en 2.3.5bevatten klachten van dezelfde strekking.
aanbod(rov. 6), welk oordeel geheel berust op de in rov. 9 (p. 5) in ogenschouw genomen omstandigheden. Het hof heeft de nalatigheid ten aanzien van de wettelijke informatieplicht ex art. 17 PSW Pro slechts genoemd – naast de schending van de zorgplicht ten aanzien van de kennisgeving van het aanbod – ter verwerping van het verweer (opgetekend in rov. 8) dat de eigen nalatigheid van [verweerder] aan aansprakelijkheid van Bpf Bouw in de weg staat.
“Zorgplicht overigens”het oordeel van het hof in rov. 6, 9, 10 en 13 met een reeks van klachten, ondergebracht in de subonderdelen 2.4.1 -2.4.8.
(1)de omstandigheid dat [verweerder] bekend was met het geëindigd zijn van de regelingen en
(2)de omstandigheid dat hij gestopt is met het aanleveren van premiegegevens en met de betaling van de premies. Volgens Bpf Bouw heeft het hof miskend dat dit relevante omstandigheden zijn in de zin van rov. 3.5 van het arrest van 8 februari 2013 (m.n. in het kader van de kenbare persoonlijke en financiële belangen, zie 2.4.1(i) en (ii)), die meebrengen dat – zoals ook het hof Amsterdam onbestreden heeft vastgesteld – [verweerder] zelf onderzoek had moeten doen naar alternatieven. Ook zou het hof op deze wijze het beroep van Bpf Bouw op eigen schuld van [verweerder] onbesproken hebben gelaten, althans dat beroep met miskenning van de maatstaf van art. 6:101 BW Pro hebben verworpen (2.4.1(iii)). Het oordeel dat de bekendheid met het einde van de regelingen in het niet valt bij de nalatigheid van Bpf Bouw zou zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn (2.4.1(iv)).
(1)in het midden kan blijven omdat de eventuele nalatigheid van [verweerder] in het niet valt tegen de nalatigheid van Bpf Bouw (rov. 9 eerste alinea). Dit feitelijke oordeel is in het licht van het uitvoerig gemotiveerde oordeel omtrent de nalatigheid van Bpf Bouw (rov. 9, p. 5) niet onbegrijpelijk, terwijl het onderdeel niet aangeeft waarom de hierin besloten verwerping van het beroep op eigen schuld blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de maatstaf van art. 6:101 BW Pro. Ten aanzien van omstandigheid
(2)heeft het hof in rov. 13 geoordeeld dat Bpf Bouw (ook) uit deze omstandigheid in het voorliggende geval niet de conclusie mocht trekken dat [verweerder] niet vrijwillig zou willen deelnemen in de pensioenregeling en aanvullende regelingen van Bpf Bouw. Voor zover uit omstandigheid
(2) zou moeten worden afgeleid dat [verweerder] op de hoogte was van de beëindiging van de eerdere regelingen (zoals het hof Amsterdam overwoog in rov. 4.11 van zijn de in de eerdere cassatiezaak bestreden uitspraak, en waartegen in cassatie niet werd opgekomen [30] ), geldt hetzelfde als voor omstandigheid
(1).
subonderdeel 2.4.2heeft het hof in rov. 9 en 10 ten onrechte geen rekening gehouden met het niet bestreden oordeel van het hof Amsterdam in rov. 4.11 dat [verweerder] als dga geacht wordt op de hoogte te zijn van de in de bouw bestaande regelingen, hetgeen volgens het subonderdeel dus ook geldt voor de mogelijkheid tot vrijwillige deelneming.
subonderdeel 2.4.3heeft het hof in rov. 9 en 10 miskend dat voor Bpf Bouw geen verplichting bestond om een aanbod te doen en volgt uit de enkele omstandigheid dat Bpf Bouw toch – onverplicht – een aanbod heeft gedaan, niet dat zij
daaromgehouden was te zorgen dat dit vrijwillige aanbod [verweerder] ook bereikte, zodat dit aspect niet als bouwsteen mag worden gebruikt voor het oordeel dat Bpf Bouw niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.
subonderdelen 2.4.4 tot en met 2.4.8zijn gericht tegen het oordeel van het hof omtrent de voor Bpf kenbare persoonlijke en financiële belangen die voor (personen als) [verweerder] waren betrokken bij het tijdig treffen van een vervangende voorziening (rov. 10).
subonderdeel 2.4.4dat het hof blijkens rov. 10 ten onrechte uitsluitend rekening houdt met het – aan Bpf Bouw uiteraard kenbare – aspect van de te verwerven pensioenaanspraken tegen een bepaalde premie (ofwel de inhoud van de aangeboden regeling). Volgens Bpf Bouw zijn dit geen persoonlijke en financiële belangen van [verweerder] waar het hof volgens rov. 3.5 van het arrest van Uw Raad van 8 februari 2013 rekening mee zou moeten houden. Met dergelijke belangen was Bpf Bouw niet bekend. Bpf Bouw had voorts aangevoerd dat een dga in het algemeen vaak geen belang heeft om het aanbod te aanvaarden en dat er enkele honderden duizenden werknemers in de regelingen deelnemen zodat Bpf Bouw met individuele belangen geen rekening kan houden. Deze als essentieel aan te merken stellingen heeft het hof volgens het subonderdeel onbesproken gelaten.
NJ2013/106 luidt dat het antwoord op de vraag in hoeverre op (de rechtsvoorgangers van) Bpf Bouw een zorgplicht rustte, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij ook van belang is “welke
voor Bpf Bouw kenbare persoonlijke en financiële belangen voor (personen als) [verweerder]waren betrokken bij het tijdig treffen van een vervangende voorziening in geval van beëindiging van de bestaande vroegpensioen- en vut-regelingen”. Mijns inziens valt niet in te zien dat de inhoud van de aangeboden en misgelopen regeling geen goede indicatie kan vormen voor de persoonlijke en financiële belangen die voor (personen als) [verweerder] zijn betrokken bij het tijdig treffen van een vervangende voorziening in geval van beëindiging van de eerdere regelingen. Daarbij moet erop worden gewezen dat het hier niet slechts gaat over individuele belangen van [verweerder], maar ook en veel algemener over persoonlijke en financiële belangen van
personen als[verweerder], in casu derhalve van de oudere dga’s (die al veel premie hebben betaald en niet ver meer van een eventueel vervroegd pensioen zouden zijn verwijderd). Bovendien gaat het niet slechts om bekende, maar (ook) om kenbare belangen.
bij Bpf Bouwbekend waren.
kenbarebelangen. Ook gaat het niet slechts over persoonlijke en financiële belangen van [verweerder] of anderen behorende tot de betreffende groep
individueel, maar ook over persoonlijke en financiële belangen van dergelijke personen in het algemeen, in casu van de oudere dga’s. Het hof heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 2.5.1, dat zelf verder geen klacht bevat, naar een achttal door haar bij memorie van antwoord na verwijzing onder 5.12 en 5.13 betrokken stellingen die haar betwisting moeten onderbouwen.
(h)noemt en behandelt en niet (kenbaar) ook de stellingen
(a)tot en met
(g).Daardoor heeft het hof essentiële stellingen onbesproken gelaten althans onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
Subonderdeel 2.5.3werkt uit dat deze stellingen essentieel zijn – kort gezegd omdat ze zien op het causaal verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen en de gestelde schade – en geeft aan dat de stel- en bewijsplicht van dit causaal verband op [verweerder] rusten.
betwistingvan het causaal verband door Bpf Bouw, hetgeen op het tegenovergestelde duidt.
Subonderdeel 2.5.5gaat ervan uit dat het hof – naar ik begrijp – de acht aangevoerde stellingen
(a)t/m
(h)niet relevant heeft geoordeeld voor de betwisting van het causaal verband.
subonderdelen 2.5.8 en 2.5.9keren zich tegen de overweging aan het slot van rov. 11 dat
“gesteld noch gebleken is dat de persoonlijke financiële omstandigheden waarin [verweerder] verkeerde, het zeer onwaarschijnlijk maakten dat [verweerder] het aanbod zou hebben geaccepteerd.”
subonderdeel 2.5.8miskent het hof in de
eersteplaats dat de financiële positie van [verweerder] niet relevant is, omdat het causaliteitsverweer reeds voldoende is onderbouwd met de stellingen
(a)t/m
(h).Deze klacht ziet eraan voorbij dat het hof die stellingen ontoereikend achtte.
tweedetreedt het hof, aldus oordelend, buiten het debat van partijen, aldus Bpf Bouw. Ook deze klacht treft geen doel, nu het hof niet een niet-aangevoerde stelling honoreert, maar oordeelt dat niet een met name genoemde stelling is aangedragen die het verweer zou hebben kunnen onderbouwen.
gestelddat de persoonlijke en financiële omstandigheden van [verweerder] acceptatie zeer onwaarschijnlijk maakten. Het hof is derhalve niet toegekomen aan de vraag of [verweerder] Bpf Bouw gegevens had moeten verschaffen ter onderbouwing van haar verweer.
onderdeel 2.6.