Conclusie
1.Feitenen procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
lidmaatschap van de ondernemingsraad’) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de rol die schending van art. 7:670a BW (oud) [13] speelt bij de vraag of sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Volgens de klacht kan al het enkele feit dat een werkgever de ontslagbescherming voor (gewezen) OR-leden niet respecteert (door daarvoor geen toestemming van de kantonrechter te vragen), in zichzelf bijdragen aan het oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijke opzegging.
an sichniet is meegewogen als relevante factor bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid (wat weer door kan werken in de hoogte van de toegekende vergoeding), terwijl [eiser] dat wel als zodanige factor heeft opgevoerd. Weliswaar signaleert het hof dat [eiser] dit aspect aandraagt, maar bij de beoordeling heeft het hof volgens mij alleen oog voor de vraag of er een verband is aangetoond tussen het voormalige OR-lidmaatschap en het ontslag en dat is niet het te wegen punt hier. Dat dit een er met de haren bijgesleept argument is, zoals [verweerster] aanvoert [14] , is misschien wel invoelbaar, maar kan binnen het geschetste stelsel voor beoordeling van kennelijk onredelijk ontslag op grond van alle omstandigheden volgens mij niet worden afgedaan als door het hof in het aangevallen arrest. Ik voel wel mee dat moet worden gezien dat het gebruik kunnen maken door [eiser] van de TOP vroegpensioenregeling mogelijk als relatief gunstig moet worden gekwalificeerd, zoals in de inleiding van de s.t. zijdens [verweerster] wordt aangevoerd en dat in dat licht beschouwd de overigens uitvoerige motivering van het hof over de vraag of sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en de daaraan gekoppelde toegekende vergoeding voldoende inzicht geeft in de afwegingen die door de rechter zijn gemaakt, maar dat laat onverlet dat het element van verzuim van toestemming vragen voor ontslag van ex OR-lid [eiser] daarin niet (voldoende kenbaar) als factor als zodanig is meegewogen.
an sich(even daargelaten of de OR niet al langer dan twee jaar geleden was verdwenen, zoals [verweerster] aanvoert, [eiser] anders ziet en het hof in het midden laat) bij grieven mogelijk niet duidelijk genoeg in stelling is gebracht: grief 5 luidde in nogal brede termen zo:
Grief 5:ten onrechte wijst de kantonrechter in punt 4.7 van het vonnis van 14 november 2011 de vorderingen van [eiser] af.”
in redelijkheidtot het door hem gevoerde bedrijfseconomische beleid heeft kunnen komen, aldus de klacht.
bedrijfseconomische redenen’ volgend op de hier in cassatie aangevallen zin blijkt ook duidelijk dat het hof dit beleid materieel onder de loep neemt en (marginaal) weegt. Het hof geeft aan dat uit onbestreden aan UWV WERKbedrijf overgelegde omzet- en resultaatcijfers ‘genoegzaam is aangetoond dat in 2011 kostenbesparende maatregelen noodzakelijk waren en dat er reden was voor het ontslag medio 2011 van 10 werknemers, waaronder [eiser] .’ Daartegen aangevoerde tegenargumenten weegt het hof in dit verband als te licht. Terecht voert [verweerster] bij dupliek in cassatie onder 3 aan dat indien het hof inderdaad zou hebben gemeend dat hij helemaal niet zou mogen toetsen, alles wat volgt op de aangevallen zin in onder dit kopje in rov. 7.4.2 evengoed ongeschreven had kunnen blijven.
de positie van [eiser] op de arbeidsmarkt’. Als dat oordeel (ongunstige positie vanwege leeftijd is minder relevant in het licht van de eigen keuze van [eiser] voor vroegpensioen) zo moet worden begrepen dat dat geldt ongeacht de reden waarom wordt gekozen voor vroegpensioen, is dat volgens [eiser] rechtens onjuist. Immers, wanneer de reden voor die keuze juist die slechte arbeidsmarktpositie is (terwijl eigenlijk de voorkeur wordt gegeven aan doorwerken), kan die slechte arbeidsmarktpositie bijdragen aan het oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag.
inspanningen van [verweerster]’ over hulp bij het vinden van ander werk en scholing. Het hof beoordeelde het niet zoeken van ander passend werk en het niet aanbieden van om- of bijscholing als niet relevant in het licht van de eigen keuze van [eiser] om gebruik te maken van de TOP-vroegpensioenregeling. Dat zou volgens het hof toch geen zin hebben gehad. [eiser] klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat hij noodgedwongen heeft moeten kiezen voor de TOP-vroegpensioenregeling gezien zijn slechte positie op de arbeidsmarkt.