De verdachte was eigenaar en directeur van drie coffeeshops in Leiden en Lisse die expliciet werden gedoogd op basis van de AHOJG-criteria uit de Aanwijzing Opiumwet. Deze criteria omvatten onder meer geen reclame, geen harddrugs, geen overlast, geen jeugdigen en een maximale handelsvoorraad van 500 gram. De coffeeshops voldeden aan deze voorwaarden en werden jarenlang niet strafrechtelijk vervolgd, ondanks hoge omzet en exploitatievoorraden buiten de winkels waarvan de overheid op de hoogte was.
Op 20 juni 2011 vonden onaangekondigde doorzoekingen plaats waarbij grote hoeveelheden hennep werden aangetroffen en in beslag genomen. Het openbaar ministerie vervolgde de verdachte wegens overtreding van de Opiumwet, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Het hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging, stellende dat de verdachte gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het gedoogbeleid en dat voortzetting van de vervolging onverenigbaar was met beginselen van een goede procesorde.
De Hoge Raad overweegt dat het OM een ruime bevoegdheid heeft tot vervolging, maar dat in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijkheid kan worden uitgesproken bij schending van procesrechtelijke beginselen. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat het OM concrete toezeggingen heeft gedaan die het vertrouwen van verdachte rechtvaardigen. Ook is het oordeel van het hof dat geen strafrechtelijk belang gediend is met vervolging niet begrijpelijk gelet op de omvang van de aangetroffen voorraden en het witwassen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting. Het cassatieberoep van het OM is gegrond verklaard. De zaak betreft complexe afwegingen omtrent het gedoogbeleid, rechtszekerheid en de grenzen van strafrechtelijke handhaving bij coffeeshops.