ECLI:NL:HR:2012:BW5002
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid OM wegens gerechtvaardigd vertrouwen en procesorde in belastingstrafzaak
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens het gerechtvaardigde vertrouwen van de verdachte dat hij niet vervolgd zou worden. Dit vertrouwen zou zijn gewekt door gedragingen van de Belastingdienst tijdens een gesprek op 7 augustus 2001 en de daaropvolgende handelwijze.
De verdachte voerde aan dat de Belastingdienst afspraken had gemaakt die een strafrechtelijk onderzoek uitsloten en dat de opsporingshandelingen in strijd waren met Europese regelgeving omtrent detacheringsverklaringen. Het hof had echter niet uitdrukkelijk beslist op dit verweer, wat op straffe van nietigheid had moeten gebeuren.
De Hoge Raad bevestigde dat niet-ontvankelijkheid van het OM slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegewezen, zoals wanneer gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt door bevoegde functionarissen of bij ernstige schendingen van de procesorde. In dit geval ontbraken zulke uitzonderlijke omstandigheden, omdat de gedragingen van ambtenaren zonder vervolgingsbevoegdheid geen zodanig vertrouwen konden rechtvaardigen en er geen grove veronachtzaming van het recht op een eerlijke behandeling was.
De Hoge Raad verwierp het middel en verwees de zaak naar een rolzitting om de Advocaat-Generaal gelegenheid te geven zich over de overige middelen uit te laten. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de strafkamer op 8 mei 2012.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt verworpen en de zaak wordt verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling.