Conclusie
1.MKZ Metaalbewerking V.O.F.,
2.Procedure
CONCLUSIE
Onderzoek buiten de stellingen van partijen om en vooringenomenheid
Tijdens de twee bezoeken is door [eiser 3] geconstateerd dat de ophanging niet deugdelijk is uitgevoerd. Dit betreft de rubbers en spanbanden welke scheef en niet op de plaats van de tussenschotten waren gemonteerd. Dit is u ook medegedeeld. De conclusie was dat U de voertuigen op dit punt zou aanpassen.” en uit de brief van 24 oktober 2005 (zie hiervoor onder 2.6) waarin is opgemerkt: “
Doordat de spanbanden niet op de plaats van de tussenschotten zijn gemonteerd, zijn de tanks vervormd. Ook heeft MKZ geconstateerd dat de rubbers los zaten en de spanbanden scheef gemonteerd waren waardoor de tanks gedeeltelijk op de stalen spanbanden rustten. Staal op staal geeft lekkages, daarom moeten brandstoftanks met rubbers rondom de tank en spanbanden bij de tussenschotten worden gemonteerd, hetgeen u niet heeft gedaan.” In deze beide brieven is met geen woord gerept over de noodzaak van ophanging met gebruik van starre steunen, hetgeen wel voor de hand had gelegen als de in deze procedure door MKZ ingenomen stelling juist zou zijn. MKZ had daarom voor een constructie moeten kiezen die ook tegen ophanging in spanbanden bestand was.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.1) en acht daarom ook onbegrijpelijk dat het hof niet heeft geoordeeld dat MKZ niet in verzuim is geraakt (
onder 1.2).
onder 3.1 en 3.2dat het hof in rov. 7.3 het bewijsaanbod passeert.
onder 4.1) althans niet toereikend gemotiveerd (
onder 4.2) te hebben vastgesteld dat deze keuzemogelijkheid van [verweerster] tussen partijen was overeengekomen. Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof neemt niet aan dat de overeenkomst van partijen een “keuzemogelijkheid” voor [verweerster] bevatte ten aanzien van de montagemethode, maar neemt tot uitgangspunt dat partijen daarover niet expliciet hebben gesproken en heeft daarom ─ terecht ─ onderzocht wat partijen te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In rov. 7.2 constateert het hof dat MKZ in 2004 meermalen op het bedrijf van [verweerster] is geweest en toen heeft gezien op welke wijze zij de tanks had gemonteerd, en dat MKZ wist dat de bedrijfsvoering van [verweerster] het monteren van de tanks met starre steunen (wegens gebrek aan ruimte) steeds meer onmogelijk maakte. Onder deze omstandigheden had MKZ er naar het oordeel van het hof rekening mee moeten houden dat [verweerster] ook met betrekking tot de in 2005 bestelde dieseltanks voor een montage door ophanging in spanbanden zou kiezen. MKZ had daarom ofwel voor een constructie moeten kiezen die ook tegen deze wijze van montage bestand was, dan wel bij [verweerster] moeten informeren voor welke methode zij zou kiezen. Nu MKZ dat niet heeft gedaan, had zij er volgens het hof rekening mee moeten houden dat [verweerster] ook in dit geval voor montage door ophanging in spanbanden zou kiezen. Dit oordeel is noch onjuist, noch onbegrijpelijk, zodat het onderdeel faalt.
onder 4.1voorts dat het hof niet is ingegaan op het aanbod om te bewijzen dat de montagehandleiding al in 2004 aan [verweerster] was overhandigd. Deze klacht miskent dat rov. 7.4 ook daarop ziet (in lijn met het bewijsaanbod van MKZ in de verzetdagvaarding in appel nrs. 3.6.1-3.6.3, dat in dit opzicht geen onderscheid maakt tussen 2004 en 2005). De veegklacht
onder 4.3faalt in het verlengde van de andere klachten.
onder 5.1 en 5.2de aanname van het hof in rov. 9.4 dat alle door MKZ geleverde tanks ondeugdelijk waren; volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat [verweerster] op dit punt niet heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijslast, mede gezien de stellingen van MKZ dat (kort gezegd):
onder 5.1miskent dat het hof deze stellingen in rov. 9.1 samenvat (“MKZ heeft in twijfel getrokken of alle tanks zijn gaan lekken. Zij wijst erop dat slechts twee tanks zijn onderzocht en dat niet duidelijk is wat er met de overige 118 is gebeurd.”), stelling ii) in rov. 11.1 letterlijk weergeeft en deze stellingen in rov. 9.4 en 11.2 gemotiveerd verwerpt. Het hof heeft het verweer van MKZ dus wel onder ogen gezien, maar heeft dat niet gehonoreerd. De oordelen van het hof zijn feitelijk, voldoende onderbouwd en niet onbegrijpelijk; hierop strandt ook de motiveringsklacht
onder 5.2.
onder 5.3is rov. 10.1 onbegrijpelijk, omdat MKZ zich nooit heeft beroepen op schending van de klachtplicht door [verweerster] ; MKZ heeft [verweerster] slechts verweten dat zij MKZ niet in staat heeft gesteld om te onderzoeken of inderdaad sprake was van ondeugdelijke brandstoftanks.
onder 6.1, de motiveringsklacht
onder 6.2en de veegklacht
onder 6.3van
onderdeel 6. Volgens dit onderdeel heeft [verweerster] niet aan haar stelplicht en bewijslast voldaan waar het de ondeugdelijkheid van alle tanks betreft, nu zij het leeuwendeel van de tanks zonder overleg met MKZ heeft verschroot en MKZ de gebrekkigheid van de tanks gemotiveerd heeft betwist. De verzetdagvaarding in appel nrs. 3.8.1-3.8.2 en de pleitnota d.d. 27 mei 2014 nr. 5, waarnaar onderdeel 6 verwijst, bevatten geen stellingen die het hof niet heeft behandeld.
onder 7.1) dat de termijn niet “ongebruikt” is verstreken omdat partijen na het verstrijken ervan TNO hebben ingeschakeld om onderzoek te doen;
onder 7.2staat een veegklacht.
onder 8.1miskent het hof dat op grond van vaste jurisprudentie de jarenlange (2001 t/m medio 2005) zakelijke relatie tussen MKZ en [verweerster] en de bij elke nieuwe order herhaalde verwijzing naar de Metaalunievoorwaarden op briefpapier en facturen door MKZ met zich meebrengt dat MKZ er op mocht vertrouwen dat haar eerder steeds toepasselijke algemene voorwaarden door [verweerster] waren geaccepteerd en dat die eveneens golden voor de opdrachten die centraal staan in de onderhavige procedure. Volgens de klacht
onder 8.2heeft het hof bij zijn oordeel ten onrechte niet betrokken de stellingen van MKZ in haar verzetdagvaarding in hoger beroep onder 3.10 en in haar incidentele grief VII en de toelichting daarop bij pleidooi.
Onder 8.3staat een veegklacht.
Toepasselijkheid Metaalunievoorwaarden
Betaling 14 dagen” en “
levering ex works” doet daar niet aan af. Het beroep op exoneratie gaat dus wel op. Als productie 7 wordt een kopie van de brief van 25 oktober 2005 van de assurantietussenpersoon overgelegd, waarin de dekking wordt afgewezen.
Nu de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van MKZ onvoldoende vast is komen te staan zullen de op die grondslag gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.”
METAALUNIEVOORWAARDEN, zoals deze luiden volgens de op de achterzijde afgedrukte tekst.”
onder 8.1(die ik ook als een motiveringsklacht opvat) [7] slaagt. De door het hof aan de omstandigheden gegeven waardering is m.i. niet concludent, omdat onvoldoende wordt gereageerd op het betoog van MKZ.
onder 8.2opgaat. Getuige het woord ‘alsnog’ kan daarin gelezen worden dat het hof verwijst naar zowel vóór als na de totstandkoming van de overeenkomst door MKZ verzonden facturen. Ook bij die lezing heeft het hof mijns inziens onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
onder 9.1) en een veegklacht (
onder 9.2) tegen het gegrond achten van een bij conclusie van dupliek door [verweerster] ingenomen stelling; honorering van die stelling zonder dat deze in het kader van de door [verweerster] voorgestelde grieven is herhaald, zou in strijd zijn met de devolutieve werking van het appel.