ECLI:NL:PHR:2015:2534

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2015
Publicatiedatum
20 januari 2016
Zaaknummer
14/04735
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46b SrArt. 27(a) Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening arrest over vrijwillige terugtred bij poging tot diefstal

In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 dagen wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen. Het hof oordeelde dat sprake was van een voltooide poging en verwierp het beroep op vrijwillige terugtred. De verdediging stelde cassatieberoep in tegen deze verwerping.

De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2006:AZ2169) en stelt dat het hof een onjuiste opvatting had omtrent het begrip vrijwillige terugtred. Volgens de Hoge Raad is het niet bepalend of de poging als voltooid wordt aangemerkt op basis van een uitvoeringshandeling, maar of de verdachte is teruggetreden voordat sprake was van een voltooid misdrijf.

Hoewel het hof het beroep op vrijwillige terugtred onvoldoende heeft gemotiveerd, constateert de Hoge Raad dat het beroep zelf ontoereikend is onderbouwd. Daarom leidt dit niet tot cassatie. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het beroep op vrijwillige terugtred op het bestaande dossier.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het beroep op vrijwillige terugtred.

Conclusie

Nr. 14/04735
Zitting: 6 oktober 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 12 augustus 2014 verdachte ter zake van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) dagen met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (14/04658).
3. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt over de verwerping van een beroep op vrijwillige terugtred.
5. In reactie op het verweer dat verdachte vrijwillig is teruggetreden heeft het Hof als volgt overwogen:
“Getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte en haar medeverdachte hem opvielen omdat ze namelijk meteen bij binnenkomst twee schijnbaar willekeurige kledingstukken uit de rekken pakten, zonder er echt naar te kijken. Getuige [getuige 1] heeft voorts bij de politie verklaard (dossierpagina 13) dat de verdachte en haar medeverdachte vervolgens kledingstukken over de tassen van de aangeefsters legden en dat zij de aangeefsters probeerden af te leiden door ze aan te stoten. Ook de aangeefsters hebben verklaard (pagina 9 en 11) dat er twee dames dicht bij hen kwamen staan en dat zij door hen licht werden geduwd. Nadat de verdachte en haar medeverdachte de aangeefsters hadden afgeleid probeerden ze de tas van een van hen open te ritsen, verklaart zowel [getuige 1] als [getuige 2]. Getuige [getuige 2] verklaart verder (pagina 17) dat de verdachte en haar medeverdachte dicht bij de aangeefsters gingen staan en dat de medeverdachte vervolgens achter hen ging staan en probeerde met haar hand in de tas van één van de aangeefsters te komen.
Het hof is, uitgaande van hetgeen hiervoor is geschetst, van oordeel dat de verdachte en haar medeverdachte in de winkel samen hebben opgetrokken met als doel de inhoud van de tas van (een van) de aangeefster(s) te bemachtigen. Daartoe is geprobeerd een rits van een tas te openen, wat het hof aanmerkt als een uitvoeringshandeling. Er is dan ook sprake van een voltooide poging tot diefstal, zodat van vrijwillige terugtred reeds om die reden geen sprake meer kan zijn.”
6. In de schriftuur wordt terecht een beroep gedaan op de volgende overweging uit een arrest van de Hoge Raad 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169:
“3.5.2. Aan de klacht ligt de opvatting ten grondslag dat geen plaats kan zijn voor vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr, indien sprake is van een zogenoemde voltooide poging. Die opvatting is onjuist. Bij vrijwillige terugtred gaat het om het misdrijf waarop de gedragingen van de verdachte waren gericht (vgl. HR 5 december 2000, LJNAA8824). Het gaat niet erom of de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is derhalve vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten.”
7. De omstandigheid dat een poging al dan niet als voltooid kan worden aangemerkt door een uitvoeringshandeling is, anders dan het Hof kennelijk van oordeel is, niet bepalend voor de beoordeling van het beroep op vrijwillige terugtred. De verwerping van het beroep op vrijwillige terugtred is daarom ontoereikend gemotiveerd.
8. Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG