AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplegen moord
In deze zaak gaat het om het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van €15.000 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit voordeel is geschat op basis van een verklaring van een medepleger die aangaf dat betrokkene €15.000 had ontvangen voor het medeplegen van een moord.
De Hoge Raad overweegt dat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid mocht volstaan met één bewijsmiddel, namelijk de verklaring van de medepleger, en dat het hof deze verklaring betrouwbaar heeft gemotiveerd. Het cassatiemiddel dat de motivering onvoldoende zou zijn, wordt verworpen.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro is overschreden in de cassatiefase, maar de Hoge Raad zal compensatie toepassen in de hoofdzaak die gelijktijdig wordt behandeld. Het beroep in cassatie wordt uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van €15.000 blijft gehandhaafd.
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij uitspraak van 26 juni 2014 de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,-.
2. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middelbehelst de klacht dat de motivering van het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan dragen.
4. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
“ De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 26 juni 2014 (parketnummer 21-008382-13) ter zake van (onder andere) medeplegen van moord veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 15.000,- (vijftienduizend euro). Het hof komt als volgt tot deze schatting:
De medepleger [betrokkene 1] heeft erkend dat hij deze moord heeft gepleegd in opdracht van veroordeelde. [betrokkene 1] heeft bij de politie als volgt verklaard:
1.0 een proces-verbaal, nr. 2012068332, d.d. 30 augustus 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden voornoemd, het welk - zakelijk weergegeven - inhoudt:
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2498 tot en met 2502):
V: waaruit bestond die klus?
A: Dat die man dood moest.
V : Wie heeft jou gevraagd die klus te doen?
A: Dat was [betrokkene]. Als ik praat over [betrokkene] dan bedoel ik [betrokkene].
V: Wat zou die klus je opleveren?
A: Dat geld. Zijn zwager zou [betrokkene] € 30.000,- betalen. Met zwager bedoel ik de zwager van het slachtoffer. Het was eerst € 20.000,-. En tien voor [betrokkene]. Ik moest alles zelf regelen. Omdat [betrokkene] meegegaan is met de auto werd het € 15.000,-. Daarna ging benzinegeld en dergelijke er nog af. Na vijf dagen tot een week kwam [betrokkene] bij mij langs en toen gaf hij mij de helft van het geld. Dat was € 14.000,- en een beetje.
Uit het vorenstaande leidt het hof af en stelt vast dat veroordeelde € 15.000,- heeft ontvangen voor het medeplegen van de moord.”
5. Voorop gesteld kan worden dat het in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs van de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te bezigen dat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij daarvoor van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering. [2]
6. Voorts geldt dat op de ontnemingsprocedure het strafvorderlijk bewijsrecht niet onverkort van toepassing is. Zo zijn de bewijsminima uit het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [3]
7. Gelet op het voorafgaande, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts op één bewijsmiddel heeft doen steunen. Het hof heeft zijn oordeel dat aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit het (onder 1. primair) bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 15.000,- toereikend gemotiveerd. Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de medeveroordeelde [betrokkene 1] volgt dat de zwager van het slachtoffer aan de betrokkene een bedrag van € 30.000,- zou betalen en dat € 15.000,- daarvan voor [betrokkene 1] was bestemd. Uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt voorts dat de betrokkene vijf dagen tot een week na het misdrijf bij hem langs ging en het deel van [betrokkene 1] heeft uitbetaald. Uit deze verklaring heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de betaling door de zwager van het bedrag van € 30.000,- aan de betrokkene had plaatsgevonden. Uit de inhoud van het bewijsmiddel kan voorts worden afgeleid dat het voordeel van de betrokkene € 15.000,- heeft bedragen. Het bedrag van € 30.000,- is daartoe verminderd met het deel van het geld dat bestemd was voor [betrokkene 1] en met het deel dat als vergoeding van kosten kon worden aangemerkt. Het hof heeft in zijn arrest in de strafzaak, dat gelijktijdig is gewezen met de onderhavige ontnemingsuitspraak, gemotiveerd uiteen gezet waarom het hof de belastende verklaring van [betrokkene 1] betrouwbaar acht. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof niet gehouden, mede in aanmerking genomen dat de raadsman van de verdachte bij de behandeling van het hoger beroep in dit verband heeft volstaan met de stelling dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen omdat geen veroordeling in de hoofdzaak zou kunnen volgen. [4]
8. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
9. Het tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
10. Namens de betrokkene is op 2 juli 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 29 mei 2015 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van zes maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu het cassatieberoep in de hoofdzaak gelijktijdig met de onderhavige ontnemingsprocedure wordt behandeld, kan de compensatie worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige zaak met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.
11. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene, met nummer 14/03636, waarin ik vandaag eveneens concludeer.