ECLI:NL:HR:2000:ZD1671

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 januari 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
112.067P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Haak
  • raadsheer Corstens
  • raadsheer Orie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 338 SvArt. 359 SvArt. 511f Sv36e Wetboek van StrafvorderingWetboek van Strafrecht
Verwijzingen
1 uitgaand · 16 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsgebruik bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van betwiste kasboeken

In deze zaak stond de vraag centraal of het gerechtshof een berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel, opgenomen in een proces-verbaal van politie en gebaseerd op inbeslaggenomen kasboeken en aanvullende notities, als bewijs mocht gebruiken zonder nadere motivering, terwijl de betrouwbaarheid van deze kasboeken en notities uitdrukkelijk was betwist.

De Hoge Raad bevestigde het uitgangspunt dat het aan de feitenrechter is om binnen de wettelijke grenzen te bepalen welk bewijsmateriaal hij betrouwbaar acht en welk materiaal hij terzijde stelt. Deze beoordeling behoeft in principe geen nadere motivering, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval was.

Het hof had de berekening als betrouwbaar beschouwd en gebruikt om de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat hiertegen was gericht, omdat het middel geen aanleiding gaf tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uiteindelijk werd het beroep in cassatie verworpen en bleef de beslissing van het hof in stand, waarbij de veroordeelde werd verplicht tot betaling van een geldbedrag aan de staat, subsidiair een hechtenisstraf.

Uitkomst: Het beroep in cassatie werd verworpen en de veroordeelde werd gehouden tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, subsidiair een hechtenisstraf.

Uitspraak

4 januari 2000
Strafkamer
Nr. 112.067 P
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 oktober 1998 op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te
[plaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 18 februari 1997 — de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van twintigduizend gulden, subsidiair éénhonderdtwintig dagen hechtenis.
1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr R. Zilver, advocaat te Wijk bij Duurstede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof zonder nadere motivering als bewijsmiddel een in een proces-verbaal van politie vervatte berekening van het wederrechtelijk verkregen oordeel heeft gebruikt, welke berekening is gebaseerd op de inbeslaggenomen kasboeken en aanvullende notities, terwijl de betrouwbaarheid van deze kasboeken en notities ter terechtzitting uitdrukkelijk is betwist.
3.2. In beginsel is het voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs van de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te bezigen dat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij daarvoor van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft geen motivering, behoudens bijzondere gevallen waarvan hier geen sprake is. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101
aRO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op
4 januari 2000.