17. Het hof heeft in het onderhavige geval zijn oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt van het doen van de valse aangiftes, niet nader gemotiveerd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan echter zonder meer worden afgeleid dat verdachte nauw betrokken was bij, en een zwaarwegende invloed heeft gehad op, het creëren van de constructie waarbij [betrokkene 1] werkzaamheden kon blijven verrichten voor de GR WOT hoewel hij wegens fiscale redenen niet meer in dienstbetrekking was (en wilde zijn) van de GR WOT. Die constructie hield in dat [betrokkene 1] formeel via een dienstverleningsovereenkomst als adviseur was verbonden aan de gemeente Oldenzaal maar feitelijk zijn werkzaamheden voor de GR WOT voortzette. Dat was fiscaal gunstig voor [betrokkene 1] nu daardoor zijn verdiensten niet in de aangiften loonbelasting van de GR WOT verantwoord behoefden te worden zodat daarover geen loonbelasting en premies volksverzekeringen werden ingehouden.
18. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft verdachte als (waarnemend) voorzitter van het dagelijks en algemeen bestuur van de GR WOT persoonlijk gebeld met de burgemeester van Oldenzaal teneinde een fiscale vorm te vinden waarin [betrokkene 1] zijn werkzaamheden voor de GR WOT (en [A] B.V. dat onder GR WOT hing) kon en wilde voortzetten zonder dat diens dienstverband met de GR WOT formeel werd verlengd. Uit de verklaring van de toenmalige burgemeester van Oldenzaal, Cammaert en een door verdachte aan die burgemeester geadresseerde brief, volgt ook dat er een arbeidsrelatie tussen [betrokkene 1] en de gemeente Oldenzaal gecreëerd moest worden omdat [betrokkene 1] niet meer een dienstverband bij het WOT kon en wilde krijgen en die arbeidsrelatie met de gemeente Oldenzaal volgens verdachte gunstiger was voor [betrokkene 1] , terwijl het evident was dat [betrokkene 1] voor het WOT zou blijven werken en er in de ogen van die Cammaert sprake was van een “U-bochtoplossing” en een “dienstverleningsconstructie”. Voorts blijkt uit die bewijsmiddelen dat [betrokkene 1] door met name verdachte en [betrokkene 3] telkens is gevraagd te blijven, en dat [betrokkene 1] hoewel hij over verschillende contracten beschikte, feitelijk steeds dezelfde functie heeft uitgeoefend, namelijk die van algemeen directeur van GR WOT/ [A] B.V.
19. Uit een en ander in onderlinge samenhang bekeken heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen afleiden dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de bewezenverklaarde indiening van valste aangiftes door de GR WOT. Daaruit volgt immers dat verdachte als (waarnemend) voorzitter van de GR WOT actief en nauw betrokken is geweest bij, en dus op de hoogte was van de constructie waarin [betrokkene 1] werkzaamheden voor de GR WOT bleef verrichten terwijl [betrokkene 1] op papier als adviseur was verbonden aan de gemeente Oldenzaal met het kennelijke doel om op die manier belastingen te ontwijken.
20. Gelet daarop kan het niet anders zijn dan dat verdachte ook betrokken was bij de namens de GR WOT ingediende aangiften voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen waarin telkens een te laag bedrag te betalen loonbelasting en premie volksverzekeringen werd vermeld doordat in strijd met de waarheid niet de door [betrokkene 1] voor de GR WOT verrichte werkzaamheden daarin werden meegenomen.
21. In ieder geval heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans op het doen van die valse aangiften heeft aanvaard en niets heeft ondernomen om dat te voorkomen terwijl hij daartoe als (waarnemend) voorzitter van de GR WOT bevoegd en redelijkerwijs gehouden was.
22. De omstandigheden dat verdachte na 2000 geen bestuurlijk mandaat meer had maar slechts een adviserende stem, dat de GR WOT niet zelfstandig beslissingen kon nemen maar afhankelijk was van de deelnemende gemeentes, dat verdachte financiële zaken en het doen van belastingaangiften niet in zijn takenpakket had, en dat de GR WOT op basis van ‘collegiaal bestuur’ opereerde, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, doen daaraan niet af. De formele positie is immers niet doorslaggevend voor de vraag of iemand als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. Het gaat om de invloed die diegene heeft en aanwendt, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen meer dan voldoende blijkt dat verdachte een grote invloed heeft uitgeoefend op de gekozen, fiscaal gunstige, dienstverleningsconstructie met [betrokkene 1] . Uit de gebezigde bewijsmiddelen rijst immers het beeld op van verdachte als degene die de drijvende en sturende kracht is geweest in het vormgeven van die constructie. Bovendien geldt dat enkel de eerstgenoemde omstandigheid ten overstaan van het hof is aangevoerd, en dergelijke feitelijke stellingen niet eerst in cassatie kunnen worden aangevoerd nu deze een feitelijk onderzoek vergen waarvoor in cassatie geen plaats is.
23. Het hof heeft dus uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het doen van valse aangiften, en was niet gehouden tot een nadere motivering van dat oordeel.
24. Het middel faalt.
25. In het
vijfde middelwordt erover geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte opzet heeft gehad op het doen van onjuiste aangiften.
26. Voor de bewezenverklaring van het feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging verlangt de Hoge Raad minstens voorwaardelijk opzet op die gedraging. In het onderhavige geval heeft het hof ten minste dat voorwaardelijk opzet op het doen van de valse aangiften uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Zoals ik hiervoor heb opgemerkt kan daaruit immers kort gezegd worden afgeleid dat verdachte nauw betrokken is geweest bij het opzetten van de, voor [betrokkene 1] fiscaal gunstige, constructie waarbij hij op papier als adviseur werd ingehuurd door de gemeente Oldenzaal terwijl hij feitelijk werkzaamheden voor de GR WOT bleef verrichten en dat het mede gelet daarop niet anders kan zijn dan dat hij ook betrokken was bij de indiening van de valse aangiften, of in ieder geval de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
27. Het middel faalt.
28. Het
zesde middelbevat de klacht dat de als bewijsmiddel 2 gebezigde verklaring van verdachte een aantal malen is gedenatureerd.
29. Ik stel voorop dat gelet op de aan de feitenrechter toekomende selectie en waardering van het bewijsmateriaal, het de feitenrechter vrijstaat om voor het bewijs gebruik te maken van dat gedeelte van de verklaring dat hij geloofwaardig en relevant acht voor de bewijsconstructie en andere delen van de verklaring terzijde te laten. Van denaturering is pas sprake als aan een verklaring een wezenlijk andere betekenis wordt gegeven dan daaraan kennelijk is bedoeld te geven door degene die de verklaring heeft afgelegd.