Uitspraak
[woonplaats].
23 april 1996.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vervolgbaarheid van een gemeenteambtenaar centraal die als hoofd van een afdeling leiding gaf aan het storten van verontreinigde baggerspecie in het Pikmeer zonder vergunning. Het hof had de verdachte veroordeeld, ondanks een verweer dat de gemeente als openbaar lichaam strafrechtelijk niet vervolgbaar is.
De Hoge Raad bevestigt dat de gemeente als openbaar lichaam op grond van hoofdstuk 7 van de Grondwet immuun is voor strafvervolging. Dit betekent dat ook de ambtenaren die in die hoedanigheid handelen, niet strafrechtelijk vervolgd kunnen worden voor gedragingen die zij uitvoeren ter vervulling van die bestuurstaak.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van deze rechtsopvatting. Het hof moet tevens nagaan of de verdachte mogelijk uit eigen daderschap kan worden veroordeeld.
Deze uitspraak verduidelijkt de grenzen van strafrechtelijke vervolgbaarheid van ambtenaren die handelen namens een openbaar lichaam en bevestigt de immuniteit van gemeenten in dergelijke gevallen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte als feitelijk leidinggevende van de gemeente.