Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet ingevolge art. 590, derde lid, Sv heeft geschorst.
[verdachte],
- i) ID-staten SKDB van 19 maart 2012 en 20 april 2012 waaruit blijkt dat sinds 16 mei 2011 het GBA-adres van de verdachte is de [a-straat 1], [plaats A];
- ii) een brief van de verdachte d.d. 19 juli 2011 welke is opgevat als een machtiging tot het instellen van hoger beroep en welke onder meer inhoudt ‘Als u mij een brief stuurt, kunt u die dan naar mijn moeder sturen, dan weet ik tenminste zeker dat ik de brief krijg
- iii) een akte rechtsmiddel inhoudende dat op 2 augustus 2011 een ambtenaar ter griffie van de rechtbank te Maastricht namens de verdachte beroep heeft ingesteld tegen het vonnis d.d. 16 maart 2011. Op deze akte is met pen bijgeschreven ‘p/a [plaats B] [b-straat 1]’ alsmede ‘kopie van akte naar [verdachte] (p./a.) gestuurd d.d. 2-8-2011’. In deze akte zijn in de zin ‘De verdachte geeft desgevraagd op dat hij/zij wel/niet een afschrift van de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting toegezonden wil hebben naar een ander adres in Nederland dan naar bovengenoemd adres, te weten’ de keuze mogelijkheden opengelaten. Voorts is daar geen alternatief adres opgenomen;
- iv) een akte van uitreiking voor de terechtzitting van 1 mei 2012 inhoudende dat na een tevergeefse uitreiking op 21 maart 2012 op het GBA-adres van de verdachte ([a-straat 1], [plaats A]) deze op 30 maart 2012 is teruggezonden naar de afzender en op 20 april 2012 is uitgereikt aan de griffier en op die datum als gewone brief naar het GBA-adres van de verachte is verzonden.