ECLI:NL:PHR:2015:2686

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 november 2015
Publicatiedatum
18 februari 2016
Zaaknummer
15/05080
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a RvArt. 13 Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken advocaatbijstand

Op 21 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen in hoger beroep van verzoekers tegen vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland. Verzoekers hebben bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld door middel van een verzoekschrift dat niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens art. 426a lid 1 Rv.

De griffier van de Hoge Raad heeft verzoekers gewezen op dit verzuim en hen in de gelegenheid gesteld dit binnen 14 dagen te herstellen. Verzoekers hebben hiervan geen gebruik gemaakt en verklaard geen advocaat bereid te hebben gevonden om hen te vertegenwoordigen. De Hoge Raad wijst dit verzoek af omdat de wet verplichte procesvertegenwoordiging voorschrijft en het argument van het ontbreken van een advocaat dit niet kan opheffen.

Daarnaast wordt opgemerkt dat de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat kan aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn dit niet te doen. Ook wordt vermeld dat cassatieberoep tegen een arrest van het hof in dit geval bij dagvaarding moet worden ingesteld. De conclusie van de Procureur-Generaal is daarom dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken ondertekening door advocaat bij de Hoge Raad.

Conclusie

15/05080
Mr. F.F. Langemeijer
13 november 2015
Conclusie inzake:
[verzoeker 1] en [verzoekster 2]
tegen
Liander Infra Oost N.V.
1. Op 21 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen [1] op het hoger beroep van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] (hierna: verzoekers) tegen vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland (sector kanton, locatie Leeuwarden) van 20 augustus 2013 en 7 januari 2014.
2. Bij brief van 14 oktober 2015 hebben verzoekers zich gewend tot de Hoge Raad met het verzoek genoemd arrest van 21 juli 2015 te vernietigen, met verdere beslissingen als in die brief vermeld. Het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
3. De griffier van de Hoge Raad heeft bij brief van 23 oktober 2015 verzoekers gewezen op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad en hen in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen 14 dagen te herstellen [2] . Van deze gelegenheid hebben verzoekers geen gebruik gemaakt. Bij brief van 29 oktober 2015 hebben zij de griffier laten weten dat zij geen advocaat bij de Hoge Raad bereid hebben gevonden voor hen cassatieberoep in te stellen. Zij verzoeken de Hoge Raad niettemin te worden toegelaten tot het geding in cassatie.
4. Aan dit laatste verzoek kan geen gevolg worden gegeven. De wet, art. 426a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, schrijft ondertekening van het cassatieverzoekschrift door een advocaat bij de Hoge Raad voor. Het argument dat verzoekers geen advocaat bereid hebben gevonden kan de wettelijke bepalingen over verplichte procesvertegenwoordiging niet opzij zetten. Bovendien kan de Deken van de Orde van Advocaten op grond van art. 13 Advocatenwet Pro een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen.
Opmerking verdient nog dat het beroep in cassatie tegen een beslissing zoals het onderhavige arrest van het hof bij dagvaarding moet worden ingesteld [3] .
5. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a - g

Voetnoten

1.Zaaksnr. 200.153.376/01; ECLI:NL:GHARL:2015:5537.
2.Zie voor deze herstelmogelijkheid: HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212.
3.Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 2015 nr. 209; zie ook: HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:833.