Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Parket bij de Hoge Raad
Op 21 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen in hoger beroep van verzoekers tegen vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland. Verzoekers hebben bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld door middel van een verzoekschrift dat niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens art. 426a lid 1 Rv.
De griffier van de Hoge Raad heeft verzoekers gewezen op dit verzuim en hen in de gelegenheid gesteld dit binnen 14 dagen te herstellen. Verzoekers hebben hiervan geen gebruik gemaakt en verklaard geen advocaat bereid te hebben gevonden om hen te vertegenwoordigen. De Hoge Raad wijst dit verzoek af omdat de wet verplichte procesvertegenwoordiging voorschrijft en het argument van het ontbreken van een advocaat dit niet kan opheffen.
Daarnaast wordt opgemerkt dat de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat kan aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn dit niet te doen. Ook wordt vermeld dat cassatieberoep tegen een arrest van het hof in dit geval bij dagvaarding moet worden ingesteld. De conclusie van de Procureur-Generaal is daarom dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken ondertekening door advocaat bij de Hoge Raad.