ECLI:NL:PHR:2015:2709

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2015
Publicatiedatum
8 maart 2016
Zaaknummer
14/06173
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste verstekverlening door detentie verdachte in België

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelde verdachte tot 29 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van diefstal met geweld en mishandeling. Verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte verstek tegen hem verleende omdat hij tijdens de zitting in hoger beroep in België gevangen zat.

De Hoge Raad nam kennis van een attest van gevangenschap van de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie waaruit bleek dat verdachte van 13 november 2014 tot 4 juni 2015 in een Belgische strafinrichting verbleef. Hierdoor was verdachte niet vrijwillig afwezig en had hij recht op aanwezigheid bij de behandeling van zijn zaak.

De Hoge Raad oordeelde dat het verstek verlenen onjuist was en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling in aanwezigheid van verdachte. Hiermee werd het belang van het aanwezigheidsrecht van verdachte benadrukt.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling in aanwezigheid van verdachte.

Conclusie

Nr. 14/06173
Zitting: 22 december 2015
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 december 2014 de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken" en 3. "mishandeling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 maanden. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte aangezien deze ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2014 houdt het volgende in:
"De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
wonende te [woonplaats],
is - hoewel behoorlijk (in persoon) opgeroepen - niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.L. Rinsma, advocaat te Maastricht.
De voorzitter stelt aan de hand van de mededeling van de deurwaarder vast dat de raadsvrouw van de benadeelde partijen [A] B.V en [betrokkene 1], te weten mr. E.E. Frenken ter terechtzitting is verschenen en dat de benadeelde partij [betrokkene 2] niet ter terechtzitting is verschenen.
De voorzitter deelt mede, dat de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, doch niet gevoegd, zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaak onder parketnummer 20-003498-13 tegen [betrokkene 3].
De raadsman deelt het volgende mede.
Ik heb in aanloop naar deze zitting geen contact kunnen krijgen met mijn cliënt. Ik ben niet gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren.
De voorzitter deelt het volgende mede.
In verband met de gewijzigde samenstelling van het hof wordt het onderzoek, dat ter terechtzitting van 24 juli 2014 werd geschorst, opnieuw aangevangen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."
5. In cassatie is - door middel van aanhechting aan de schriftuur - overgelegd een door de raadsman in cassatie bij de Federale Overheidsdienst Justitie opgevraagd attest van gevangenschap - vrijstelling. Uit dit stuk blijkt dat de verdachte van 13 november 2014 21:18 uur tot 4 juni 2015 13:48 uur was gedetineerd in de Strafinrichting te Hasselt (België).
6. Uit het hiervoor onder 5 vermelde stuk - aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld - moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd, zodat de beslissing van het Hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn brengt het vorenoverwogene mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. [1] Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1660; HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:638.