Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
beslissendachtte of de bedoeling om alsnog tot invordering over te gaan tot uitdrukking wordt gebracht [22] .
Subonderdeel 1.3betoogt dat, als de subonderdelen 1.1 en 1.2 gegrond worden bevonden, ook ’s hofs beslissing in rov. 4.8 niet in stand kan blijven.
).
is. Volgens het subonderdeel moet de invorderingsbeschikking met een dergelijke aanmaning worden gelijkgesteld, hetgeen tot een toepassing van art. 4:106 Awb Pro
per analogiamzou moeten leiden. Ik meen dat de klacht faalt, reeds omdat het als uitputtend bedoelde karakter van de regeling van de art. 4:105 en Pro 4:106 Awb zich tegen een uitbreiding van die regeling
per analogiamverzet.
“omtrent de invordering van de dwangsom”beslist. Hetzelfde artikellid bepaalt dat deze invorderingsbeschikking wordt gegeven
“alvorens aan te manen”. Derhalve kan eerst na de invorderingsbeschikking worden aangemaand. De aanmaning is geregeld in art. 4:112 Awb Pro, in welk artikel ook is vermeld aan welke eisen de aanmaning moet voldoen [28] . Art. 4:117 lid 1 bepaalt Pro vervolgens dat, wanneer binnen de overeenkomstig art. 4:112 gestelde Pro aanmaningstermijn niet volledig is betaald, een dwangbevel kan worden uitgevaardigd. In de MvT wordt over de stappen in het invorderingsproces onder meer het volgende opgemerkt [29] :
als zodanig. Er staat immers dat het gaat om “handelingen of gedragingen van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij zijn
schulderkent”. Het voorgaande heeft het hof miskend door te oordelen dat van erkenning (reeds) geen sprake was, nu [verweerder] de invorderingsbevoegdheid van de gemeente heeft betwist.”
het recht op betalingde verjaring van de rechtsvordering stuit. Dat de Gemeente
recht had op betalingheeft [verweerder], zoals volgt uit het voorgaande, niet erkend. Anders dan waarvan de Gemeente kennelijk uitgaat, ligt in de enkele (stilzwijgende) erkenning van het verbeurd zijn van de dwangsommen niet besloten dat van een erkenning in de zin van art. 4:105 lid 2 Awb Pro sprake is.
“schuld”wordt gebruikt. In het onderhavige geval was [verweerder] immers, ondanks het feit dat hij dwangsommen had verbeurd, in zijn visie niets aan de Gemeente verschuldigd. Bovendien - ik vermeldde het al - spreekt de wet zelf (art. 4:105 lid 2 Awb Pro) van
“erkenning van het recht op betaling”. [33]